2021/1

RKD BULLETIN

Verzamelen voor het Haags Gemeentemuseum: Cees Kuijlman als verzamelaar van Nederlandse twintigste-eeuwse kunst op papier (II)

Jan Piet Filedt Kok

Zoals we zagen ging Kuijlmans voorkeur uit naar een beperkt aantal Nederlandse kunstenaars, waarvan tekeningen en prenten nog voor redelijke bedragen te verwerven waren. Naast het werk van enkele al langer overleden kunstenaar als Jan Toorop, Samuel Jesserun de Mesquita, Herman Kruyder en Piet Ouborg wiens werk juist in de belangstelling kwam, viel de nadruk daarbij op eigentijdse kunstenaars.

Opmerkelijk is dat de verzameling zich niet beperkte tot één artistieke richting: hij verzamelde zowel figuratief als abstract werk en tekeningen naast grafiek. Bij de aankopen van een graficus als Dick Cassée lag de nadruk op zijn prenten en bij een tekenaar als Peter Vos op diens tekeningen. Dat hij zich bij aankopen van eigentijdse kunst beperkte tot een jongere, nog nauwelijks gevestigde generatie Nederlandse kunstenaars, is mede verklaarbaar uit zijn voorkeur om zelf direct bij de kunstenaars werk te kiezen en te kopen om de extra kosten van een galerie te vermijden.

Uit de collectie tekeningen en prenten in het Haags Gemeentemuseum moet in grote lijnen af te leiden zijn hoe de verzamelaar zijn keuze maakte ‘uit het werk uit min of meer alle tijden van een tekenaar-graficus’ en in hoeverre zijn aankopen pasten in het aankoopbeleid van het museum.

1
Jan Toorop
Meisjeskopje 1896
litho, druk in groen 141 x 137 mm
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

Vroegste kernen in de verzameling
Tot de vroegste kernen uit de collectie behoren de prenten en tekeningen van Jan Toorop (1858-1928) en Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944), beide kunstenaars waarvan het grafische werk in de naoorlogse jaren werd herontdekt.1 Het grafisch werk van Jan Toorop met ruim 80 bladen werd in het voorjaar van 1969 voor het eerst in kaart gebracht door een tentoonstelling (met oeuvre-catalogus) in het Amsterdamse Rijksprentenkabinet, waaraan Kuijlman een tiental bladen bijdroeg [1,2].2 Van Toorop zijn vooral de vijftig droge naaldprenten uit de jaren 1884 en 1908 betrekkelijk zeldzaam. Van verschillende daarvan bestaan slechts postume afdrukken en de oorspronkelijke, tijdens z’n leven gemaakte afdrukken zijn sinds lang zeer gezocht, in het bijzonder die met handgeschreven opdrachten.3 In de Haagse collectie waren al veel afdrukken aanwezig, maar dankzij (ook deels postume) afdrukken uit Kuijlmans verzameling is een belangrijk deel van Toorops grafische werk in Den Haag te vinden, ook al mist de verzameling de verfijning in drukvarianten en unica die in het Amsterdamse Rijksprentenkabinet wel aanwezig is. Die laatste verzameling is door de oplettendheid van opeenvolgende conservatoren sinds 1969 met een aanzienlijk aantal bijzondere afdrukken verrijkt.

2
Jan Toorop
Portret van Generaal Drabbe 1903
droge naald 153 x 152 mm (plaat), eerste staat
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

Van Samuel Jessurun de Mesquita, leermeester van de wereldberoemde graficus M.C. Escher – de ster in het Haagse museum – is het werk uit zijn atelier na zijn tragische dood in verschillende porties in het naoorlogse Amsterdam opgedoken. Belangrijke gedeelten daarvan kwamen terecht in het Stedelijk Museum en in het Rijksprentenkabinet, dat al tijdens Jessurun de Mesquita’s leven geregeld werk van hem had gekocht.4 Volgend op beide Amsterdamse collecties, biedt de Jessurun de Mesquita-verzameling van het Haags Gemeentemuseum, die verdubbelde dankzij de aankoop van Kuijlmans verzameling, het meest omvangrijke en representatieve overzicht van diens werk. Mede daardoor kon het Museum er in 2005 een fraaie overzichtstentoonstelling van houden, waarbij een vuistdikke monografie werd uitgegeven.5

Bijna een halve eeuw eerder, in het voorjaar van 1968, had het prentenkabinet van het Haagse museum als prelude op de grote Escher-tentoonstelling ter gelegenheid van diens zeventigste verjaardag, zestig tekeningen en prenten van Jessurun de Mesquita’s hand getoond, deels uit eigen bezit maar grotendeels uit bruiklenen.6 Kuijlmans belangstelling voor Jessurun de Mesquita’s werk bleek al uit een bruikleen van vier tekeningen, maar resulteerde tijdens of kort na de tentoonstelling in de aankoop van vrijwel al diens bladen uit de collectie van Hans Marcus in Amsterdam.7 Door de aankopen van Kuijlman is zijn werk, met name zijn krachtige houtsneden, in het Haags Gemeentemuseum fraai aanwezig [3].8 Ruim tien jaar later, in 1980, vormde een aanzienlijk grotere groep bladen uit dezelfde collectie voor Galerie Sothmann in Amsterdam de basis van een tentoonstelling van zijn kunst.9 Door deze en latere exposities van de kunstenaar in deze galerie, en de begeleidende publicaties door Erik Ariëns Kappers, groeide de (internationale) bekendheid van dit werk.

Van de expressionistische schilder Herman Kruyder (1881-1935) werden vijftien tekeningen uit Kuijlmans verzameling gevoegd bij de al vrij grote groep bladen van de kunstenaar in de verzameling van het Haags Gemeentemuseum, onder meer afkomstig van Paul Citroen.10 Van de Haagse kunstenaar Piet Ouborg (1893-1956) had Kuijlman 41 tekeningen uit zijn nalatenschap gekocht en met de toevoeging daarvan aan de collectie kan het Gemeentemuseum het meest omvangrijke overzicht van diens surrealistische en abstracte werk op papier tonen.11

3
Samuel Jessurun de Mesquita
Zelfportret met jas en hoed ca. 1897
houtsnede 383 x 183 mm (blad)
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

Van alle bovenstaande kunstenaars is in een aantal andere openbare Nederlandse tekeningen- en prentenverzamelingen een ruime, meest elkaar aanvullende, keuze uit hun werk aanwezig. Van vier destijds eigentijdse kunstenaars, Co Westerik, Dick Cassée, Carel Visser en Peter Vos, heeft Kuijlman grote groepen prenten en tekeningen verworven die door de aankopen tussen 1971 en 1975 voor een belangrijk deel in de verzameling van het Haags Gemeentemuseum zijn opgenomen.

Co Westerik
De meest omvangrijke groep werken van één kunstenaar in Kuijlmans collectie was die van Co Westerik (1924-2018), waarvan thans rond de 200 tekeningen uit de periode 1944 tot 1975 en ruim 140 prenten deel uitmaken van de collectie van het museum. Bovendien blijkt dat Kuijlmans verzameling van Westeriks werk nog aanzienlijke groter was. Het boek over Westerik uit 1971 (destijds een relatiegeschenk van Kuijlmans drukkerij), vermeldt dat Kuijlman met Westerik kennismaakte bij de uitreiking van de Rembrandtprijs voor schilderkunst van de stad Leiden aan de kunstenaar in juli 1966.12 De werken op de tentoonstelling over Westerik met 30 bladen grafiek en 77 tekeningen en aquarellen die eind december 1968 in Rotterdam werd geopend, moeten dus in twee jaar tijd bijeen zijn gebracht.13 Al vanaf 1956 had het Haags Gemeentemuseum geregeld werk van deze (destijds) Haagse kunstenaar gekocht, maar Kuijlmans aankopen vonden op een aanzienlijk grotere schaal plaats en betroffen in plaats van slechts enkele exemplaren, tientallen tekeningen en prenten.

Dankzij de verwerving van Kuijlmans verzameling is Westeriks vroege grafiek (houtsneden, litho’s en etsen uit de periode 1945-1971) vrijwel compleet en in veel gevallen met verschillende proefdrukken in Den Haag vertegenwoordigd: 140 afdrukken van ca. 70 verschillende voorstellingen [4].14 Daarmee bezat het Haags Gemeentemuseum in de jaren tachtig de meest omvangrijke verzameling grafiek van Co Westerik, waardoor het voor de hand lag dat het museum in 1984 een oeuvrecatalogus van zijn grafiek samenstelde en in samenwerking met Openbaar Kunstbezit publiceerde.15 Tot 1989 zijn nog enkele Westerik-prenten aan de collectie toegevoegd, maar sindsdien is daar niets meer bij gekomen.16

Voor de tekeningen van Westerik in het Haagse museum geldt hetzelfde: zijn tekeningen te dateren tussen 1944 en 1975 zijn in grote aantallen vertegenwoordigd, van zijn latere tekeningen (tot en met 1985) zijn er nog enkele mooie voorbeelden te vinden en vervolgens is er nog één late grote tekening uit 1994 aan de collectie toegevoegd.17 Daarbij zijn de bladen uit Kuijlmans verzameling ongelijk van kwaliteit: naast een aantal prachtige karakteristieke bladen, is er veel jeugd- en academiewerk, maar ook een deel van zijn latere bladen tussen 1960 en 1970 is weinig overtuigend.

Dit heeft, waarschijnlijk in de jaren negentig, geleid tot een merkwaardige maar ook niet geheel onbegrijpelijke tweedeling van de Westerik-tekeningen in het Haags Gemeente museum.18 Het bekijken van de A-keuze van ongeveer 90 tekeningen, geeft de liefhebber net zoals bij een tentoonstelling een mooi beeld van het werk van de kunstenaar.19 De B-keuze, van ca. 150 tekeningen waaronder talrijke schetsbladen, is in hoofdzaak van documentair belang.20 Fraai zijn dankzij de aankopen uit Kuijlmans verzameling, de vroege tekeningen en aquarellen (tot het begin van de jaren zeventig) vertegenwoordigd waaronder de Man met hond in kamer uit 1966 [5]. De uitzonderlijke kwaliteit van Westeriks tekeningen uit deze periode wordt bevestigd door de (direct naar de originelen gereproduceerde) afbeeldingen in het door Kuijlman geproduceerde boek uit 1971. Daarbij moet worden opgemerkt dat een deel van de daarin gereproduceerde tekeningen uit Kuijlmans collectie nooit in het bezit van het Haags Gemeentemuseum is gekomen. Dat bevestigt dat de verzamelaar bij de verkopen tussen 1971 en 1975 de beste tekeningen zelf behield. Pas toen hij in 1979 en 1986 aan het museum verschillende tekeningen aanbod, betrof dat een aantal in het boek gereproduceerde tekeningen, waaronder het zelfportret Tekenaar met blauwe kiel en pet uit 1975 dat op de omslag van de handelseditie van het boek uit 1979 was afgebeeld [6].21

Zoals eerder vermeld is het merendeel van de beste Westerik-tekeningen uit Kuijlmans verzameling terecht gekomen in de collectie van mevrouw van Oosterom-Kleijn in Amsterdam, die in 2004 aan Museum Boijmans-Van Beuningen werd geschonken. Liefst 47 van de 97 Westerik-tekeningen in deze schenking zijn afkomstig van Kuijlman, waaronder de tekening In gesprek uit 1965, die is afgebeeld op de omslag van de catalogus uit 1968.22 Daarmee biedt de Rotterdamse verzameling, net zoals de werken op papier in de verzameling van Frits Becht (1930-2006), een veel fraaier en evenwichtiger beeld van Westeriks ontwikkeling als tekenaar, dan de veel grotere groep tekeningen van Kuijlman die in het Haags Gemeentemuseum terecht is gekomen.23

4
Co Westerik
Twee mannen in een boot 1965
ets 173 x 212 mm (plaat), betekende proefdruk van de eerste staat zonder aquatint, met opschrift
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

5
Co Westerik
Man met hond in kamer 1966
pen en aquarel 222 x 258 mm
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

6
Co Westerik
Tekenaar met blauwe kiel en pet 1966
pen, aquarel en dekverf 200 x 246 mm
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

Dick Cassée
In het voorjaar van 1970 werd in Rotterdam de tentoonstelling Dick Cassée, grafiek en tekeningen uit de verzameling Kuijlman gehouden, waarin met 76 prenten en 18 tekeningen en aquarellen een overzicht werd gegeven van Dick Cassées (1931) werk tussen 1958 en 1969.24 Al eerder, in het voorjaar van 1967, toonde het prentenkabinet van het Haags Gemeentemuseum 44 van prenten en tekeningen van deze kunstenaar, waarvan een aantal bladen werden aangekocht. Vermoedelijk begon Kuijlman, die zijn eerste Cassée-prenten kocht bij de galerie van Fenna de Vries in Delft, kort daarna met het verzamelen van diens werk. Uiteindelijk bevatte de verzameling in het Gemeentemuseum 155 bladen grafiek en een kleine dertig tekeningen en aquarellen afkomstig van Kuijlman. Cassées subtiele, deels aan Paul Klee verwante, vroege aquarellen, zijn goed vertegenwoordigd, evenals zijn grafiek tot 1972.25 Enkele ontwerp- en constructietekeningen voor zijn prenten en drie etsplaatjes geven een goed beeld van zijn werkwijze. Na een aantal eenvoudige prenten in brede droge naald lijnen uit zijn vroege jaren, is te zien dat Cassée als graficus echt op gang komt na zijn verblijf in het atelier van Stanley William Hayter in 1961. Hij begon daar met het afdrukken van simpele aluminium- en zinkplaatjes. In de daarop volgende jaren verandert zijn vormgeving en daarmee de techniek. De composities worden geometrisch door constructies in cirkelvorm en vlakken, die hij vaak in blinddruk afdrukte. Later in de jaren zestig (1968-1972) ontdekte hij het landschap van de Vaucluse en gaf dat eerst weer in kleurige gelaagde aquarellen en vervolgens in de horizontale, in brede droge naald uitgevoerde, landschappelijke prenten [7, 8].

Daarmee is Cassées grafiek uit deze belangrijke periode tot ca. 1970, in Den Haag uitzonderlijk rijk vertegenwoordigd, in tegenstelling tot zijn latere grafiek, die vrijwel geheel ontbreekt. Zijn latere werk is met enkele voorbeelden in de verzameling van het Stedelijk Museum in zijn eigen Amsterdam, maar ook daar is juist het vroegere werk in prent en aquarel ruim en fraai aanwezig.26

Carel Visser
Eveneens meest abstract van aard zijn de 45 prenten en 41 tekeningen van Carel Visser (1928-2015) uit de verzameling Kuijlman in het Haags Gemeentemuseum, die een evenwaardige tegenhanger vormen van zijn werk in ijzer als constructivistisch beeldhouwer.27 Dat kwam ook tot uiting in de overzichtstentoonstelling van zijn werk, die Locher in november 1972 in het Gemeentemuseum organiseerde ter gelegenheid van de toekenning van de Staatsprijs voor beeldende kunst. In de monografie die Kuijlman daarbij drukte, spelen de tekeningen en houtsneden vanaf het begin van de jaren vijftig een belangrijke rol.28 Een groep daarvan was door het museum in 1966 aangekocht.29 Deze collectie is in sterke mate uitgebreid met Kuijlmans aankopen van Vissers tekeningen uit de jaren vijftig en diens houtsneden: stempeldrukken die hij vanaf 1957 drukte op groot formaat (93 x 63 cm) doorschijnend, wit, Japans papier.30 In 1973 schreef Pieter Brattinga daarover: ‘Het maken van houtsneden is ook denken op papier, maar zij ontstaan anders. Visser vindt het heerlijk om te gaan tekenen of houtsneden te gaan drukken na zijn werk met zwaar ijzer. Bij het maken van houtsneden gebruikt hij doorzichtig Japans papier. Het doorzichtige heeft hij nodig. Hij legt namelijk eerst het houtblokje neer, kijkt door het papier en plaatst het papier over het blokje op een plaats die hij in gedachten heeft bepaald en drukt dan af.’31 Het Gemeentemuseum bezit dankzij Kuijlman een veertigtal van deze stempeldrukken in beige, oranje, rood, geel, maar vooral in zwart gedrukt: kubussen, stapelingen, piramiden, salami en dergelijke [9]. Ook hier ontbreekt het latere werk van Carel Visser, zoals de houtsneden op kozo-papier en collages.

Het nauwe verband tussen het beleid van Locher in het Haagse museum aan het eind van de jaren zestig en de verzamelvoorkeuren van Kuijlman, blijkt uit het feit dat niet alleen van Cassée en Visser in 1967 kleine tentoonstellingen in het Haagse prentenkabinet werden gehouden, maar ook van Sipke Huismans (1938), Henri Plaat (1936) en een jaar eerder van JCJ VANDERHEYDEN (1928-2012).32 Van deze drie kunstenaars werden door Kuijlman grotere groepen bladen gekocht, die in 1971-1972 in het Haags Gemeentemuseum kwamen, waardoor deze aankopen daar een reflectie vormen van deze tentoonstellingen. Voor het werk van bovengenoemde kunstenaars gold waarschijnlijk eveneens dat de beperkte budgetten museale aankopen slechts mondjesmaat toelieten en Kuijlman op grotere schaal kon aankopen.

7
Dick Cassée
Landschap Dieulefit 1966
aquarel 126 x 176 mm
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

8
Dick Cassée
Landschappelijk II 1969
droge naald 70 x 190 mm (plaat)
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

9
Carel Visser
Salami 1964
houtsnede 630 x 930 mm (blad)
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

De jongste generatie
Van de jongste generatie is Jeroen Henneman (1942) met 17 prenten en 14 tekeningen uit de verzameling van Kuijlman opmerkelijk goed vertegenwoordigd; niet met zijn nu vooral bekende latere illusionistische werk, maar vooral grafiek uit zijn Vlaamse periode (1964-1967).33 Ook van Wim T. Schippers en Peter Struycken kocht Kuijlman werk op papier, maar daarvan kwam uiteindelijk weinig in het Haagse Gemeentemuseum terecht.34

Peter Vos
Zonder enig verband met het Haagse tentoonstellingsbeleid in deze jaren, zijn Kuijlmans aankopen van het meer figuratieve werk van Jan Mensinga (1924-1998) en met name dat van Peter Vos (1935-2010).35 Het werk van Peter Vos in het Gemeentemuseum is vrijwel uitsluitend afkomstig uit het bezit van Kuijlman: 19 prenten en 63 tekeningen.36 Naar de reden waarom Kuijlman het werk van Peter Vos is gaan verzamelen kan men slechts gissen: al in 1963 reproduceerde hij voor Openbaar Kunstbezit twee van diens gewassen tekeningen uit 1962 in het Leidse prentenkabinet.37 Bovendien vertegenwoordigde Peter Vos in 1965 Nederland als de jongste deelnemende kunstenaar met tekeningen op de Biënnale in Sao Paulo. Daar stonden overigens vooral de schilderijen van Co Westerik centraal. Er bestaat echter nauwelijks verwantschap tussen de daar getoonde, enigszins surrealistische tekeningen en de aankopen van het werk van Peter Vos die Kuijlman vanaf 1968 doet. Eerder getekend vrij werk kon de tekenaar op dat moment waarschijnlijk nauwelijks leveren. Daarom is zijn vroege werk vertegenwoordigd door bladen die uit zijn schetsboeken zijn gesneden. De vroegste zijn krijttekeningen uit een schetsboek uit Vos’ schooltijd (met algebrasommen op de achterkant, 1952), er zijn bladen uit blocnotes uit de zomer van 1958 in Bretagne, bladen uit 1960 uit schetsboeken met centaurs en dergelijke en tekeningen uit een schetsboek uit 1962 met bewoners van Jagtlust. Uit de vroege jaren zestig koos Kuijlman illustraties gemaakt voor Vrij Nederland en voor het Hollands Weekblad (vanaf 1962 Hollands Maandblad), waarin Vos zijn vrije werk kon publiceren. Bij de boekillustraties had de verzamelaar een voorkeur voor de licht erotische tekeningen bij de verhalen van Rodenko uit 1964. Karakteristieke zelfstandige tekeningen zijn er pas uit de periode 1966-1970 [10].38 De groep prenten uit 1969-1970 is typerend voor zijn werk uit die jaren, maar de droge naaldprenten halen het niet bij de kwaliteit van die uit zijn academieperiode. De tentoonstelling van het vroege werk van de kunstenaar in het voorjaar van 2017 bood de mogelijkheid om de keuze van Kuijlman te toetsen aan het nu bekende werk uit die periode. Daarbij dient te worden aangetekend, dat het meer persoonlijke werk ontbreekt omdat dit in 1968, toen Kuijlman zijn keuze maakte, al door de kunstenaar was weggegeven of verkocht. Hoewel voor de Rijkscollectie vanaf de vroege jaren zestig incidenteel werk van Peter Vos werd verworven, was de Haagse aankoop in 1971-1972 de eerste grotere museale aankoop van zijn werk en die zou dat bijna veertig jaar blijven, totdat het Rijksmuseum in 2009 een ruime keuze verwierf van de kunstenaar.

10
Peter Vos
Casanova 1966
pen in zwart en penseel in aquarel 238 x 194 mm
Den Haag, Kunstmuseum (Collectie C. Kuijlman)

Van de hierboven beschreven groepen werk van eigentijdse kunstenaars lijkt de poging om kwalitatief belangrijk werk van Peter Vos te verzamelen minder geslaagd dan bij Westerik, Cassée en Visser. Alleen van Westerik is ook veel werk van documentair belang in het Gemeentemuseum terecht gekomen, maar verder zijn de verschillende fases in het oeuvre van deze kunstenaars tot en met 1970 representatief en rijk vertegenwoordigd. Daarbij zoomt de door Kuijlman bijeengebrachte verzameling tekeningen en prenten van de jaren 1965-1970 opmerkelijk diep in op de ontwikkeling binnen het werk van de kunstenaars, waarmee de ontwikkelingen in de naoorlogse Nederlandse beeldende kunst op dat gebied fraai in het Gemeentemuseum getoond kunnen worden.

Geen winstoogmerk
Het is niet bekend of Kuijlman het Haags Gemeentemuseum als uiteindelijke bestemming in zijn hoofd had toen hij vanaf 1966 serieus begon te verzamelen, maar gezien de nauwe samenhang met het toenmalige tentoonstellingsbeleid was het museum wel zijn directe voorbeeld. Zeker is dat toen Kuijlman in 1971 tot verkoop overging, het museum en hij het eens waren dat de verzameling als geheel goed in het Haags Gemeentemuseum paste en het is aannemelijk dat de verkoper met de verkoop geen winstoogmerk had.

Helaas is de administratie die Kuilman van zijn aankopen moet hebben bijgehouden niet bewaard gebleven. Die is wel bewaard van zijn collega-verzamelaar Karel Levisson, die waarschijnlijk in de zomer van 1975 een 150-tal bladen uit de Kuijlman-collectie overnam, en die een handgeschreven inventaris van zijn collectie bijhield. Van de aankopen uit Kuijlmans bezit, staan daarin per blad bedragen in guldens min twintig procent vermeld: waarschijnlijk waren dat dit de bedragen, die Kuijlman er bij aankoop voor betaalde, waarbij hij bij de verkoop een korting van twintig procent gaf. Hoewel de aankooplijsten van het Gemeentemuseum uit 1971 en 1972 geen prijzen van individuele bladen vermelden, ligt de gemiddelde aankoopprijs tussen 200 en 300 gulden, hetgeen correspondeert met de bedragen in de Levisson-inventaris. Bij de verkoop van de ruim 50 Westerik-tekeningen in 1974 was de gemiddelde prijs 500 gulden en rekende Kuijlman voor de passe-partouts 15 gulden per stuk, net zoals bij de eerdere verkopen. Ook daarbij lijkt Kuijlman de kostprijs in rekening te brengen.

Zoals we zagen, betekende de mislukte verkoop van het resterende deel van de collectie Kuijlman in 1975 het einde van de vriendschappelijke relatie tussen de verzamelaar en het museum. Bij de verkoop van een aantal resterende bladen van Westerik en anderen in 1979 en 1987 waren zijn prijzen tot een marktconform niveau verhoogd. Daarbij kan aangenomen worden dat de verkoop van de tekeningen ingegeven was door Kuijlmans nieuwe hartstocht: het verzamelen kunst uit Afrika.

Met de aankoop van een belangrijk deel van de verzameling in 1971-1972, is een omvangrijke groep grotendeels eigentijdse kunstwerken op papier in de Haags Gemeentemuseum gekomen, die anders slechts mondjesmaat verworven had kunnen worden. Uit de praktijk blijkt dat particuliere verzamelaars beter dan musea in staat zijn om min of meer monografische deelcollecties bijeen te brengen doordat zij hun middelen veel vrijer kunnen inzetten. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zetten de overheden door diverse regelingen meer fondsen in voor de aankoop van Nederlandse eigentijdse kunst dan nu het geval is. Een belangrijk deel daarvan is in stedelijke verzamelingen terecht gekomen en een ruime keuze uit het Rijksbezit berust thans bij het Rijksmuseum. Daardoor is het werk van alle hierboven genoemde kunstenaars redelijk representatief in Nederlandse musea vertegenwoordigd, maar daar ontbreken zowel de accenten als de zwakke kanten die we in de Haagse verzameling wèl vinden.

Andere verzamelaars
Kuijlman is niet de enige particulier die in deze periode op grote schaal eigentijdse kunst op papier heeft verzameld, wat de gelegenheid biedt om tot een vergelijking met enkele van dergelijke verzamelingen te komen.39

De omvangrijke verzameling kunst op papier van Chris Leeflang (1903-1993), in particulier bezit, is over een aanzienlijk langere periode ̶ tussen 1950 en 1980 ̶ bijeengebracht en nauw verbonden met zijn woonplaats Utrecht, de kunstenaars van De Luis en de mede door Leeflang opgerichte Stichting De Roos, uitgeverij van bibliofiele uitgaven waarvoor veel grafische kunstenaars als illustrator optraden. Verrassend is dat de verzameling ook prenten uit de periode rond 1960 bevat, van onder meer Anton Heyboer, Aat Veldhoen, Zoltin Peeter, Roger Chailloux, Jaap Hillenius en Marte Röling. De enige overlap met de verzameling Kuijlman is de veel fraaiere groep vroege tekeningen en prenten van Peter Vos bij Leeflang en de prenten en tekeningen van Jan Mensinga.

Zoals al ter sprake kwam, waren in de verzameling negentiende- een twintigste-eeuwse kunst op papier van Karel Levisson (1917-1999), die in 1993 geschonken werd aan Rijksmuseum Twenthe in Enschede, ruim 150 bladen van de bijna 700 bladen afkomstig uit de verzameling Kuijlman.40 Het gaat daarbij ook om groepen werk van veel van Kuijlmans favoriete kunstenaars als Jan Toorop, Samuel Jesserun de Mesquita, Herman Kruyder, Piet Ouborg, Dick Cassée, Jeroen Henneman, Aat Verhoog, Peter Vos en Co Westerik, die tegelijk met kleinere aantallen tekeningen van oudere generaties kunstenaars door Levisson zijn gekocht uit Kuijlmans bezit.41 Aansluitend op de proefdrukken van onder andere Jan Toorop, Chris Lebeau en Jacoba van Heemskerck uit de verzameling van zijn vader, moeten de in 1975 van Kuijlman verworven bladen een basis hebben gevormd, waarop Levisson zijn verzameling verder heeft opgebouwd. Daarmee geeft deze verzameling een veel breder overzicht van de Nederlandse figuratieve en abstracte kunst dan die van Kuijlman. Uiteindelijk biedt de verzameling Levisson een bescheidener, maar kwalitatief evenwichtiger beeld van de Nederlandse kunst op papier uit de late negentiende en de twintigste eeuw, dan de veel grotere verzameling Kuijlman.

Tot slot
Terugkerend tot het Haags Gemeentemuseum, kan men betreuren dat het verzamelen van het werk van Kuijlmans favoriete kunstenaars na de aankopen in 1971-1972 geen vervolg hebben gekregen. Hierdoor zijn latere ontwikkelingen van de betreffende kunstenaars niet of nauwelijks in de collectie vertegenwoordigd.

De meer dan 1000 door het Haags Gemeentemuseum tussen 1971 en 1975 uit Kuijlmans bezit verworven bladen zijn een tijdscapsule geworden van de Nederlandse beeldende kunst op papier tussen ca. 1950 en 1970, die een beeld geeft van de voorhoedepositie die het museum op dit gebied onder Hans Locher innam. Hoewel diens favoriete graficus Anton Heyboer, evenmin als het werk van M.C. Escher en Constant, door Kuijlman verzameld werd, weerspiegelt het door hem bijeengebrachte werk veel van de baanbrekende Nederlandse kunstenaars die in een vroeg stadium van hun ontwikkeling in het Haagse Gemeentemuseum werden getoond.

De naoorlogse belangstelling voor hedendaagse kunst op papier uitte zich in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in een actief tentoonstellings- en verzamelbeleid met vaste tentoonstellingsruimten voor prenten en tekeningen in het Stedelijk Museum, het Haags Gemeentemuseum en Museum Boijmans-Van Beuningen. Inmiddels zijn de meeste van dergelijke ruimten, waar de hoeveelheid licht beperkt was en waar binnen een vast kader geregeld monografische-, groeps- of thematische tentoonstellingen werden gehouden, bij verbouwingen geheel of gedeeltelijk alweer verdwenen, hetgeen ook het geval is bij het nieuw ingerichte Rijksmuseum. Ook zijn er in de meeste andere Nederlandse musea nog maar zelden gespecialiseerde conservatoren verantwoordelijk voor de collectie eigentijdse en twintigste-eeuwse kunst op papier, waardoor zelden sprake is van een gericht verzamel- en tentoonstellingsbeleid op dit gebied.


Noten

1 Mijn inleiding bij de opening van de tentoonstelling De jonge virtuoos Peter Vos, grafiek, tekeningen en getekende brieven 1952-1970 op 10 februari 2017 in het Gemeentemuseum Den Haag, was een eerste aanzet tot dit artikel. Omdat vrijwel al het werk van Peter Vos in het Haagse museum in 1971-1972 was aangekocht met de verzameling Kuijlman, verbaasde het mij dat er vrijwel niets over de samensteller van deze collectie bekend was. Dit was de reden om aan deze speurtocht te beginnen. Dank aan Susan Adam, Dingenus van de Vrie, Hans Locher, Hans Hoetink, Flip Bool en Kees Kuijlman, de zoon van de verzamelaar, voor hun informatie. Later werd deze informatie aangevuld met herinneringen aan de verzamelaar van Fenna de Vries, Co Westerik, Dick Cassée en oud-museummedewerkers, onder wie Mariëtte Josephus Jitta. Dank aan Joost Bergman voor zijn opmerkingen over de prenten van Carel Visser; aan Ton Geerts, Paul Knolle, John Polder en Ruud ter Beeke voor de informatie over de collectie Levisson in Rijkmuseum Twenthe, aan Susan Adam en Vivien Entius voor hun hulp bij het bekijken van de museale bestanden in het Haags Gemeentemuseum en aan Marja Stijkel voor het vergelijkingsmateriaal in het Rijksmuseum, Amsterdam. In Museum Boijmans-Van Beuningen te Rotterdam werd ik geholpen door Dingenus van de Vrie, Julia van de Bergh en Jan de Klerk en in het depot van het Stedelijk museum door Rolf de Kat, waarvoor dank. Voor de kritische lezing, suggesties en redactionele adviezen ben ik Carel Blotkamp, Ton Geerts, Jeroen Kapelle en Flip Bool bijzonder dankbaar; veel dank voor de zorgvuldige vertaling aan Katy Kist en Jennifer Kilian.
Van Jan Toorop verwierf het Gemeentemuseum in 1971-1972 45 prenten en 8 tekeningen; uit Kuijlmans bezit kwamen in de verzameling Levisson, nu in Rijksmuseum Twenthe, vijf tekeningen. Van Jesserun de Mesquita verwierf het Gemeentemuseum in 1971-1972 64 prenten en 23 tekeningen; in de verzameling Levisson in Enschede kwamen uit Kuijlmans bezit 4 tekeningen.

2 K.G. Boon, B. Spaanstra-Polak en J. Verbeek, De grafiek van Jan Toorop (1858-1928), tent.cat. Amsterdam (Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum) 8 februari-13 april 1969, gedrukt door drukkerij van Dooren. Deze tentoonstellingscatalogus vormt de eerste oeuvrecatalogus van Toorops grafiek. Uit Kuijlmans verzameling waren daar een aantal uitzonderlijke drukken, nu in Den Haag: nr. 12a (de litho Meisjeskopje in drie kleurvarianten); nrs. 13a, 18a, 28b en 51a. Daarnaast kwam een fraaie afdruk van het Portret van Degouve de Nunques (nr. 74) uit Kuijlmans bezit in Den Haag terecht.

3 Zie over Toorops droge naaldprenten en de wenselijkheid van een nieuwe oeuvrecatalogus van Toorop-prenten: Clifford S. Ackley, Holland on paper in the age of art nouveau, tent.cat. Boston (Museum of Fine Arts) 2013, pp. 108-113, 224.

4 Zie over het redden van een gedeelte van deze ateliernalatenschap door de graficus M.C. Escher: Willem Keizer, Eschers redding van Samuel Jesserun de Mesquitas prentenschat, Woubrugge 2015.

5 Jonieke van Es, Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944). Tekenaar, graficus, sierkunstenaar, Zwolle 2005, met een volledige oeuvrecatalogus van zijn prenten; zie over de verzamelingen van zijn werk bijlage VII, pp. 352-355. Van Es was een veel te jong overleden kunsthistoricus die jarenlang als conservator in het Gemeentemuseum werkte en van 2006 tot haar plotselinge overlijden in 2012 in Museum Boijmans-Van Beuningen; zij promoveerde in 2010 op een proefschrift over Jesserun de Mesquita.

6 S.J. de Mesquita, tent.cat. Den Haag (Haags Gemeentemuseum), 27 april-9 juni 1968 (Haags Gemeentemuseum/Prentenkabinet nr. 24).

7 Idem, lijst van tentoongestelde werken. De nrs. 1-3, 6-16, 16-a/b, 17 en 19, allen uit de collectie Hans Marcus, zijn tussen 1971 en 1975 met de aankopen uit de collectie Kuijlman in het Gemeentemuseum gekomen, met uitzondering van nr. 17a (voorstudie voor H. 136) en nr. 18 (H. 114).

8 Zie Van Es 2005 (noot 5), pp. 226-334 voor een oeuvrecatalogus van zijn prenten, waarin de afdrukken uit Kuijlmans collectie in het Haags Gemeentemuseum met de inv.nrs. GM-PRE-1971 of -1972 zijn aangeduid. Zij beschreef deze in 1971-1972 verworven collectie als ‘van de uitgever J. Kuijlman, die als particulier verzamelaar het werk enkele jaren daarvoor op veilingen en in de handel had verworven’ (p. 354). Zij realiseerde zich niet dat een aantal daarvan kwam uit het bezit van Hans Marcus (zie noot 7). Of er nog ander werk van Jessurun de Mesquita in Kuijlmans verzameling van Hans Marcus afkomstig was valt niet vast te stellen. Eveneens in de tentoonstelling van 1968 waren bruiklenen uit de verzameling van de Rotterdamse verzamelaar Joop Gaertman (1930 -2016), die in juni 2015 in Rotterdam geveild zijn (Vendu Notarishuis, 29 mei 2015 e.v., nrs. 800-851), na een mislukte poging van de verzamelaar om zijn verzameling aan het Gemeentemuseum te verkopen.

9 Van Es 2005 (noot 2), p. 354. Deze verzameling werd in de latere jaren zeventig door Johannes Marcus (de zoon van de verzamelaar) en Erik Ariëns Kappers bestudeerd en geordend. Pas nu blijkt dat Hans Locher al in 1968 een bescheiden keuze uit de verzameling voor zijn tentoonstelling heeft kunnen maken. In 1979 werd het resterende deel van de verzameling eigendom van Galerie Sothmann, beheerd door Johannes Marcus en tussen 20 januari en 12 maart 1980 tentoongesteld met een boekje met een inleiding van E.H. Ariëns Kappers, wiens monografie in 1984 verscheen: S. Jessurun de Mesquita, tent.cat. Amsterdam (Joods Historisch Museum)/Rotterdam (Museum Boymans-Van Beuningen) 1984-1985; in 1985 verscheen als uitgave van kunsthandel Sothmann ook een Engelstalige geïllustreerde publicatie over de kunstenaar.

10 M. Hoogendonk e.a., Herman Kruyder 1881-1935. Gedoemde scheppingen. Schilderijen, aquarellen en tekeningen, tent.cat. Haarlem (Frans Hals Museum)/Enschede (Rijksmuseum Twenthe)/Zwolle, 1996-1997, zie pp. 71-94 voor de oeuvrecatalogus. Naast de 15 bladen in Den Haag zijn van Kuijlman via Levisson 5 tekeningen en 5 prenten, die door Levisson tot een grotere groep zijn aangevuld. Door de verwerving van 220 tekeningen van Kruyder uit de nalatenschap van J.J. Oversteegen in 2005 is in Enschede de grootste verzameling van werk op papier van Kruyder; aan de verwerving in 2006 werd een tentoonstelling gewijd met een publicatie van Carel Blotkamp, Herman Kruyder. In en buiten het Paradijs, tent.cat. Enschede (Rijksmuseum Twenthe) 2006-2007.

11 L. ten Duis en A. Haase, Ouborg. Schilder/painter, Den Haag 1990 (Monografieën van Nederlandse kunstenaars; 7), pp. 108-111. Ook 9 van de 13 tekeningen in de verzameling Levisson in Enschede zijn afkomstig van Kuijlman. Alle bladen in Den Haag en Enschede dragen (meest aan de achterzijde) een authenticiteitstempel met de signatuur van W. Jos de Gruijter.

12 J.L. Locher, Westerik. Tekeningen, aquarellen grafiek, Vlaardingen 1971, p. 100.

13 H. Hoetink, Co Westerik. Tekeningen grafiek en aquarellen uit de verzameling C. Kuijlman, tent.cat. Rotterdam (Museum Boijmans-Van Beuningen) 20 december 1968-10 februari 1969.

14 Zie voor Kuijlmans ambitie om alle prenten van Westerik te bezitten het interview ‘C. Kuijlman verzamelt prenten om mensen te kennen’ in de Nieuwe Leidsche Courant van 1 februari 1969. Uit Kuijlmans verzameling werden tussen 1971 en 1978 146 afdrukken van prenten tot 1972 aangekocht, waaronder veel proefdrukken. In de catalogus van de grafiek van Westerik (M. Josephus Jitta en C. Wiethoff, Co Westerik. Grafiek 1945-1984, Amsterdam/Den Haag 1984), zijn de meeste exemplaren van de prenten in de catalogus tot in 1972 met de vermelding HGM afkomstig uit de verzameling Kuijlman, net zoals vrijwel alle voorstudies en verschillende proefdrukken (p. 79). Uit Kuijlmans bezit kwamen ook (met één aquarel uit 1971) 18 afdrukken van Westerik-prenten in de verzameling van K. Levisson, die thans in Enschede wordt bewaard: cat.nrs. 25, 27, 35, 40, 42, 56, 57, 58, 59 (2x), 64, 67, 70, 71 (6x) en 73. Enkele van deze prenten ontbreken in Den Haag. In de reizende Westerik-tentoonstelling uit 1971-1972 was de grafiek geheel uit diens verzameling afkomstig: Wim Beeren en Cor Blok, Co Westerik, tent.cat. Amsterdam (Stedelijk Museum)/Groningen (Groninger Museum)/Brussel (Paleis voor Schone Kunsten), 1971-1972, pp. 53-54, nrs. 146-164; van de tekeningen is ook een aanzienlijk aantal door Kuijlman uitgeleend (pp. 42-52).

15 Jitta en Wiethoff 1984 (noot 14), samengesteld door de toenmalige medewerkster van het Haagse Gemeentemuseum Mariëtte Josephus Jitta.

16 In de in 2006 uitgegeven oeuvrecatalogus van de grafiek (V. Baar, W. van Toorn en Fenna de Vries, Co Westerik. Grafiek 1945-2006, Rotterdam 2006), beschrijft 187 prenten van Westerik, waarvan de litho Kinderen aan tafel uit 1988 (nr. 138), de laatst gedateerde prent in de Collectie van Haags Gemeentemuseum is; van de prenten ná 1971 bezit het museum in de meeste gevallen niet meer dan één exemplaar en/of proefdruk.

17 Co Westerik. Overzichtstentoonstelling, tent.cat. Den Haag (Gemeentemuseum) 2006, pp. 114-116.

18 Niemand van de gevraagde (meest oud-) medewerkers van het Haagse museum kon zich herinneren dat en wanneer deze scheiding is gemaakt. Wel werd vermoed dat het te maken had het denken over ontzamelen. De scheiding in twee groepen is niet helemaal geslaagd. Zo zijn een aantal duidelijk bij elkaar horende tekeningen uit 1951 van elkaar gescheiden en zijn enkele goede vroege zelfportretten in categorie B beland. Daaruit blijkt hoe tijdsbepaald een dergelijke keuze is, wat benadrukt wordt door één van de zes duur betaalde aankopen uit 1986, een grote zilverstift tekening Westlandse familie uit 1955, die in de B-categorie terecht is gekomen.

19 A-keuze: twee dozen A-formaat en drie dozen B-formaat.

20 B-keuze: vijf dozen A-formaat en vier dozen B-formaat. Het zijn voor een belangrijk deel aankopen uit de verzameling Kuijlman uit 1971-1974, maar ook de twaalf tekeningen die Westerik in 1981 maakte voor de gids van het Nederlands Kostuummuseum, uitgegeven door de Dienst voor Schone Kunsten van de gemeente Den Haag, die ook de huidige collecties in het Gemeentemuseum betreffen.

21 In 1979 kocht het museum de in het Westerik-boek uit 1971 (noot 13) gereproduceerde tekeningen: afb. 5 en 43; in 1986 afb. 4, 6, 12 en afb. 6.

22 De inventaris van de 97 Westerik-tekeningen/aquarellen uit de verzameling C. van Oosterom-Kleijn die in 2004 aan het museum werden geschonken (zoals Dingenus van de Vrie mij berichtte in april 2017) vermeldt bij 42 tekeningen dat zij uit de verzameling Kuijlman afkomstig zijn. Bovendien bleek dat nog bij 5 andere bladen de Kuijlman-herkomst vaststaat door vermeldingen in diverse publicaties uit 1971. De afbeeldingen 8, 10, 18, 33, 38, 45, 46, 53, 55, 56, 57 en 60 in Locher 1971 (noot 12), reproduceren bladen afkomstig Kuijlmans bezit, die deel uitmaken van de Amsterdamse collectie die in 2004 aan Museum Boijmans-Van Beuningen is geschonken.

23 Wim Beeren en Max Pam, Westerik in de Collectie Becht, tent.cat. Leiden/Voorburg (Huygensmuseum Hofwijck) 1999.

24 H. Hoetink, Dick Cassée. Grafiek en tekeningen uit de verzameling Kuijlman, tent.cat. Rotterdam (Museum Boijmans-van Beuningen), 24 maart-10 mei 1970; Dick Cassée, tent.cat Den Haag (Haags Gemeentemuseum) 21 april-4 juni 1967, met vouwblad.

25 In 1971 werden 58 etsen (en drie etsplaatjes) en 20 tekeningen en in 1972 87 prenten en 8 tekeningen van Kuijlman gekocht; met een latere aankoop in 1986 werden daar nog zes (kleine) aquarellen aan toegevoegd. De verzamelaar Levisson kocht van Kuijlman 6 aquarellen en 17 prenten (gedateerd tussen 1960 en 1970) waarbij geen van de prenten overlapt met de in 1971-1972 gekochte bladen in Den Haag. Vermoedelijk omvatte de verzameling van Cassées werk in Kuijlmans bezit vrijwel diens complete werk tot 1971.

26 Zie Rudi Fuchs, Dick Cassée. Grafiek, Eindhoven 2011, dat naast de nodige informatie, een goed beeld geeft van zijn grafiek tot in 2010. Cassées prenten uit de periode tot ca. 1970 die met afdrukken in Den Haag zijn vertegenwoordigd, zijn afgebeeld op pp. 2, 12-13, 15, 17-19, 26-27, 30, 33, 45 en 70. Cassée-prenten in Enschede (in de verzameling Levisson afkomstig uit Kuijlmans bezit) zijn afgebeeld op pp. 37, 39-40 (waaronder een getekende voorstudie uit Den Haag). In de collectie van het Stedelijk Museum is het werk tot 1970 zo ruim aanwezig door de BKR-regeling en gemeentelijke aankopen: daarna zijn er slechts sporadisch bladen aan toegevoegd, het laatst in 2001.

27 In 1971 werden van Vissers werk 27 prenten en 30 tekeningen, in 1972 8 prenten en 11 tekeningen en in 1975 10 prenten uit de collectie van Kuijlman gekocht; in 1986 werden hier nog 3 stempeldrukken uit diens bezit aan toegevoegd. Veel dank aan Joost Bergman voor de informatie over de prenten van Carel Visser; een tentoonstelling van diens grafiek vond in het Haagse Gemeentemuseum plaats in het voorjaar van 2019, waarbij als catalogus verscheen: Joost Bergman, Carel Visser. Grafiek, tent.cat. Den Haag (Haags Gemeentemuseum)/Zwolle 2019, tegelijk met een Carel Visser-expositie in Museum Beelden aan Zee.

28 J.L. Locher, Carel Visser. Beelden, tekeningen en grafiek, Vlaardingen (drukkerij Van Dooren) 1972; bij de tentoonstelling verscheen ook een vouwblad, gedrukt door drukkerij Van Dooren; eerder werd in het Gemeentemuseum een tentoonstelling van Carel Vissers ijzerplastieken, tekeningen en grafiek gehouden (2 december 1960-22 januari 1961), waarbij een vouwblad verscheen.

29 In 1968 kocht het Haags Gemeentemuseum 40 van zijn pentekeningen (gedateerd tussen 1949 en 1956), zie Locher 1972 (noot 28), afb. 2, 4-7, 15-17, 23-25, 35-36, 38-41 en 44. Kort daarna, van 13 januari t/m 26 februari 1967 vond een tentoonstelling plaats van zijn prenten en tekeningen in het Prentenkabinet. In 1969 kocht het Gemeentemuseum de reeks van 32 tekeningen Variaties met 8 balken. Idem, afb. 80.

30 Idem, 37, 55-62, 79, 81-83, 85 en 87.

31 Pieter Brattinga, Veertien houtsnedes door Carel Visser, tent.cat. Amsterdam (Print Gallery), 17 februari-15 mei 1973, niet gepagineerd.

32 Van het werk van Sipke Huismans was er een tentoonstelling in het Prentenkabinet van het Gemeentemuseum in het voorjaar van 1967; van hem werden in 1971-1972 liefst 74 prenten verworven, gedateerd tussen 1966 en 1971. Van Henri Plaat was een tentoonstelling in het Prentenkabinet van 9 juni t/m 23 juli 1967. Van hem werden 32 tekeningen (waarvan sommige vrij groot), meest aquarellen en 7 prenten uit de jaren zestig gekocht. Uit Kuijlmans bezit kwamen negen tekeningen en een zeefdruk in de verzameling Levisson terecht, maar die behoorden niet tot zijn schenking aan Rijksmuseum Twenthe. Van het werk van JCJ VANDERHEYDEN, ook schilderijen, was een tentoonstelling in het Prentenkabinet van 18 maart t/m 24 april 1966; van hem werden in 1971-1972 11 prenten en 16 tekeningen gekocht, waaraan er in 1979 nog 3 werden toegevoegd door een aankoop van Kuijlman.

33 Rudi Fuchs, Wiepke Loos, Jan Mulder et al., Jeroen Henneman. Verzameld werk, Amsterdam/Antwerpen/Rotterdam, 2002. Dit is ook het geval bij de 10 prenten en 3 tekeningen van Henneman uit Kuijlmans bezit in de verzameling Levisson in Enschede.

34 Eén tekening van Schippers kocht het Haags Gemeentemuseum in 1975 van Kuijlman en 8 zeefdrukken van Struycken uit het bezit van Kuijlman kwamen via de verzameling van Levisson in Enschede.

35 Gijsbert van der Wal, Zwart vuur. De grafiek van Jan Mensinga, Varik 2012. Van hem werden in 1971 12 prenten en 3 tekeningen gekocht.

36 Zie voor alle tekeningen van Peter Vos in het Haags Gemeentemuseum: http://petervos.rkdmonographs.nl/catalogus-tekeningen/tekeningen-verzameling-gemeentemuseum-den-haag/ (geraadpleegd 6-4-2021) en voor de prenten uit 1969: http://petervos.rkdmonographs.nl/catalogus-prenten/prenten-1961-1969 (geraadpleegd 6-4-2021). Een keuze uit de tekeningen uit de collectie werd begin 1974 in Maasland tentoongesteld, met een foldertje met een inleiding van Kees Broos (KB), Peter Vos. Tekeningen uit de collectie Kuijlman, tent.cat. Maasland (‘De Rozenhof’) 21 februari-4 maart 1974. In de verzameling Levisson, nu in Enschede, kwamen uit Kuijlmans verzameling 4 prenten en 10 tekeningen (deels afkomstig uit dezelfde schetsboekjes): https://Collectie.rijksmuseumtwenthe.nl/zoeken-in-de-Collectie?q=Peter+Vos (geraadpleegd 6-4-2021).

37 Jan Piet Filedt Kok en Eddy de Jongh in samenwerking met Saïda Vos, Peter Vos. Getekende brieven, Amsterdam 2017, p. 109.

38 Daarmee wordt het aannemelijk dat Kuijlman zijn aankoop grotendeels in 1968 deed; op de achterkant van een 1961 gedateerde tekening van een pulcinel (Haag Gemeentemuseum inv.nr. 0301143; PV-T-1961-HG (3)) schreef Vos een briefje gedateerd zaterdag 29 juni: ‘Geachte heer Kuijlman. Hierbij stuur ik U de gesigneerde tekeningen […].’

39 Twee verzamelingen die ook tot deze categorie behoren ken ik niet persoonlijk. Van de omvangrijke verzameling van Jaap Schouten (1939-2007) in Gouda is bekend dat deze vrij complete oeuvres van veel Nederlandse twintigste-eeuwse grafici bevatte. De verzameling van Christiaan Braun op het gebied van de hedendaagse tekenkunst heeft een sterke internationale oriëntatie, wat kan worden afgeleid uit de reeks tentoonstellingen in diens Museum Overholland (1987-1990) in Amsterdam, die onder andere gewijd waren aan Gerhard Richter, Martin Disler, Thomas Schütte, Anulf Rainer, Louise Bourgeois, Marlene Dumas, Philip Guston en Jan Fabre. Blijkens de tentoonstelling Vergezichten. Museum Overholland in het Teylersmuseum Haarlem uit 1996-1997 bevat deze collectie tekeningen van Nederlandse kunstenaars als Armando, Birza, Daniels, Dumas, van Koningsbruggen, Mol en Westerik.

40 Karel S. Levisson, zoon van de Haagse drukker Levie Levisson, die in de jaren twintig onder meer prenten van eigentijdse kunstenaars als Jan Toorop en Chris Lebeau drukte, werd aan het begin van de jaren zestig medewerker van de toen net gestichte Technische Hogeschool Twente (later Universiteit Twente). Daar vervulde hij vanaf de jaren zeventig tot zijn pensionering in 1981 bestuurlijke functies, waarbij hij beeldende kunst in het beleid van de instelling een plaats gaf. Zie Dorothee Cannegieter, Vriendschap. 75 Jaar mecenaat in het Rijksmuseum Twenthe, tent.cat. Enschede (Rijksmuseum Twenthe) 2006, pp. 92-97 voor een biografische schets; zie over de verzameling ook Dorien Flierman, De Gouden Eeuw van Twente. Zij die de kunst schonken, Enschede 2015, pp. 102-105. Veel dank aan Ton Geerts die mij in verband met Kuijlman op de verzameling en de inventaris wees en aan John Polder die mij meedeelde dat het contact tussen Levisson en Kuijlman destijds door hem tot stand is gekomen.

41 Zoals Johannes Bosboom, Dirk van Gelder, Isaac Israels, Jan Mankes en Suze Robertson. Enkele daarvan zijn gereproduceerd in de fraaie catalogus over het vroege gedeelte van de verzameling Levisson: Ton Geerts, Gedroomd papier. Tekeningen en prenten 1850-1935, tent.cat. Enschede (Rijksmuseum Twenthe), 2010, pp. 7, 23, 45-47.

Cookiemelding

Tijdens het surfen op het internet worden uw voorkeuren onthouden door middel van cookies. Cookies zijn kleine tekstbestanden die door een internetpagina op een pc, tablet of mobiele telefoon worden geplaatst. Cookies worden gebruikt om uw gebruikerservaring te verbeteren door het anoniem monitoren van webbezoek, het delen van informatie op social media mogelijk te maken, de effectiviteit van online marketingcampagnes te meten en om online advertenties aan te passen aan uw interesses. Door te surfen op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.
Ik ga akkoord