2022/1

RKD BULLETIN

Het RKD en de Collectie Nederland. Het legaat Piek-van Ditmar

Ellis Dullaart

Op 30 januari 2019 werd bij veilinghuis Sotheby’s in New York een kostbare tekening van Peter Paul Rubens (1577-1640) geveild, afkomstig uit de collectie van Prinses Christina [1]. De verkoop leidde destijds tot een debat over hoe belangrijke cultuurgoederen in Nederlands bezit – zowel particulier als openbaar – beter kunnen worden beschermd tegen verkoop naar het buitenland. De toenmalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), Ingrid van Engelshoven, zag hierin aanleiding om te laten onderzoeken ‘of de huidige wettelijke regelingen en daarop gebaseerde beleidsregels adequaat zijn om belangwekkend erfgoed in particulier bezit voor Nederland te kunnen behouden […]’.1 Zij stelde de adviescommissie Bescherming Cultuurgoederen in, die zich onder leiding van Alexander Pechtold over deze vraag zou buigen. De commissie-Pechtold concludeerde in september 2019 in haar rapport Van terughoudend naar betrokken onder andere dat er op zeer korte termijn geïnventariseerd diende te worden welke cultuurgoederen er in Nederlands particulier bezit zijn. Bovendien moest de mogelijkheid worden gecreëerd om belangrijke stukken aan te wijzen die expliciet behouden dienen te blijven voor de Collectie Nederland. De commissie adviseerde hiervoor een onafhankelijke deskundigencommissie in te stellen die nadrukkelijk geen onderdeel uitmaakt van het ministerie van OCW.2

In reactie op het advies van de commissie-Pechtold heeft de minister van OCW de Raad voor Cultuur gevraagd om een zelfstandige Commissie Collectie Nederland in te stellen, die ‘een visie ontwikkelt op de samenstelling van de beschermde cultuurgoederen in particulier bezit in het licht van de Collectie Nederland’. En die ‘zal […] moeten bestaan uit gezaghebbende personen vanuit onder andere de kunsthandel en musea, met een goede band met particuliere verzamelaars’.3 Dat RKD directeur prof.dr. Chris Stolwijk werd gevraagd om zitting te nemen in deze commissie is een begrijpelijke keuze: van oudsher is het RKD gericht op het documenteren van Nederlandse kunstwerken in particuliere en openbare collecties, het onderhouden van contacten met privéverzamelaars en musea, en het opbouwen van een sterke inhoudelijke expertise op het gebied van Nederlandse kunst vanaf de middeleeuwen tot nu. In het Beleidsplan 2021-2024 staat dit als volgt geformuleerd: ‘Het RKD wil beschikbare kunsthistorische kennis en expertise afstemmen op vraag en aanbod. De unieke Collectie Nederland is daarvoor richtinggevend. […] Het RKD is een onmisbare schakel en een rijke bron voor een ieder die op zoek is naar informatie over een kunstwerk dat op een of andere manier in verband gebracht kan worden met "de dynamische Collectie Nederland"’.4

Peter Paul Rubens
Nude study of a young man with raised arms, c. 1610
brown-grey paper, black chalk, white chalk, heightened in white 489 x 255 mm
Sotheby's (New York City) 2019-01-30, nr. 15
1
Peter Paul Rubens
Naaktstudie van een jonge man met opgeheven armen
zwart en wit krijt, wit gehoogd op papier, 489 x 255 mm
veiling New York (Sotheby’s), 30 januari 2019, nr. 15

Dat de rol die de minister van OCW en de Raad voor Cultuur nu hebben toebedeeld aan de Commissie Collectie Nederland al sinds jaar en dag onderdeel uitmaakt van de activiteiten van het RKD, laat zich treffend illustreren door het verhaal over het legaat Piek-van Ditmar. Dit onderwerp kwam in beeld tijdens het onderzoek naar een bijzonder brunaille-album van Allart van Everdingen (1621-1675) in het Rijksmuseum, dat als onderdeel van het genoemde legaat deel is gaan uitmaken van de Collectie Nederland [2]. Het onderzoek – dat in 2021 werd uitgevoerd in het kader van de tentoonstelling Allart van Everdingen (1621-1675), het ruige landschap in het Stedelijk Museum Alkmaar – richtte zich voornamelijk op de kunsthistorische duiding van het album. De recente herkomst werd slechts kort aangestipt, hoewel uit diverse bronnen bleek dat verder onderzoek naar de voorlaatste eigenaar en diens schenking van kunstwerken aan de Nederlandse Staat interessante informatie zou kunnen opleveren – over de verzamelaar Hendrik Piek (1879-1950), maar ook over de bijzondere rol die het RKD speelde bij de totstandkoming en afhandeling van het legaat.

2
Allart van Everdingen
Album met 38 kleine olieverfstudies van landschappen, zeegezichten en winterlandschappen
94 x 160 x 36 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1968-99

Hendrik Piek
Hendrik Piek werd geboren in Oudshoorn, het huidige Alphen aan den Rijn [3]. Hij was een telg uit een vooraanstaande familie die halverwege de achttiende eeuw in Oudshoorn neergestreken was. Zijn grootvader Stephanus Piek (1805-1868) was aanvankelijk actief als houthandelaar en bekleedde later diverse bestuursfuncties, waaronder die van Hoogheemraad van Rijnland en wethouder van Oudshoorn. Hendriks vader Johannes Theodoor Piek (1850-1904) zat tevens in de houthandel en werkte mee in de familiefirma Gebroeders Piek. Dat de zaken voorspoedig liepen ten tijde van Hendriks vroege jeugd, blijkt wel uit de kapitale villa die zijn vader in 1883 liet bouwen op buitenplaats Vredelust aan de Rijn [4].5 Hendrik Piek verhuisde in 1889, op tienjarige leeftijd, met zijn ouders en jongere broer Johannes ‘Jan’ Theodoor jr. (1883-1966) naar Scheveningen waar zij aan de Van Stolkweg 18 de villa Germania betrokken.6

Tijdens zijn werkzame leven was Hendrik Piek aanvankelijk actief als bankier en commissionair in effecten. Hij richtte daarvoor met zakenpartners steeds tijdelijke vennootschappen op.7 Diverse van zijn ooms en neven hadden de houthandel eveneens vaarwel gezegd en oefenden soortgelijke beroepen in de financiële sector uit. Zo was Hendriks oom Willem Frederik Piek (1838-1916) bankier en makelaar in effecten in Amsterdam. In zijn huis aan de Herengracht bouwde hij een indrukwekkende collectie schilderijen, tekeningen en boeken op, die hij in het voorjaar van 1897 echter moest verkopen vanwege een financiële tegenvaller.8 Zijn gelijknamige zoon, eveneens opgeleid als effectenhandelaar, had samen met zijn vrouw dr.med. Johanna Piek-van Rees (1880-1965) een aardige kunstverzameling.9 De belangstelling voor kunst was binnen de familie Piek dus bepaald niet vreemd.

Op 6 september 1906 trad Hendrik Piek te Scheveningen in het huwelijk met Wilhelmina Hendrika van Ditmar (1881-1968). Twee getuigen van het huwelijk waren net als hij bankier. Een derde getuige werd opgevoerd als commissionair in effecten.10 Volgens de dankbetuiging die het pasgetrouwde stel een maand na de bruiloft plaatste in Het Vaderland, woonden ze toen op de Nicolaistraat 16 in Den Haag.11 Hendriks broer Jan Piek trouwde twee jaar later met Hester van Ditmar (1883-1949), een zus van Wilhelmina. De zusters Van Ditmar stamden uit een bekend Rotterdams uitgeversgeslacht. Grootvader Willem Nicolaas Josua van Ditmar (1819-1883) had in 1864 samen met Hendrik Nijgh (1815-1895) de uitgeverij Nijgh & Van Ditmar opgericht. Het was een echt familiebedrijf en zonen en schoonzonen speelden er een belangrijke rol.

3
N.V. Vereenigde Fotobureaux
Portret van Hendrik Piek 1938
ontwikkelgelatinezilverdruk, 126 x 179 mm
Foto RKD (Vicky Foster)

#

4
Anoniem
Villa “Vredelust” Alphen a.d Rijn 1905-1920
prentbriefkaart
Foto Stichting Oud Alphen

In 1904 kwam Jan Piek bij de uitgeverij werken en in datzelfde jaar werd Han Nijgh J.Czn (1873-1948), de kleinzoon van oprichter Hendrik Nijgh, medefirmant in de zaak. In de daaropvolgende jaren onderging het bedrijf diverse veranderingen: in juli 1908 werd de firma omgezet naar een naamloze vennootschap. Han Nijgh werd benoemd tot directeur, Jan Piek werd procuratiehouder en ook Hendrik Piek kreeg een rol. Hij werd één van de twee commissarissen. Toen de vader van Han Nijgh dat jaar plotseling overleed, werd Nijgh tevens directeur van de eveneens door zijn grootvader opgerichte Nieuwe Rotterdamsche Courant. Die dubbelfunctie hield hij maar twee jaar vol. Op 1 januari 1910 trad hij af als directeur bij de uitgeverij en werd commissaris, samen met Hendrik Piek. Jan Piek was vanaf dat moment de directeur van Nijgh & Van Ditmar. De Nieuwe Rotterdamsche Courant breidde zich onder Han Nijgh steeds verder uit, met meerdere vestigingen in andere grote steden. Rond 1915 werd Hendrik Piek benoemd tot directeur van het Bijkantoor van de Nieuwe Rotterdamsche Courant in Den Haag. Een functie die hij een groot deel van zijn verdere leven zou blijven uitoefenen, net als zijn rol als commissaris van de uitgeverij, die hij pas in oktober 1940 opgaf.12

In Den Haag zou het kinderloze echtpaar Piek-van Ditmar diverse keren verhuizen totdat zij zich in juni 1923 aan de Van Stolkweg 20 in de villa Preciosa vestigden.13 Dit huis stond naast Hendriks voormalige ouderlijk huis en Hendrik en Wilhelmina bleven er wonen tot aan de sloop van het pand in 1940.14 Daarna verhuisden zij naar Zeestraat 78 in Scheveningen, vervolgens naar De Carpentierstraat 173, alwaar ze in ieder geval in van februari 1943 tot en met november 1945 woonden. Vervolgens betrokken ze een woning aan het Noordeinde 111A.15

Hendrik Piek overleed vrij plotseling op 18 januari 1950 na ‘een noodlottig ongeval’. Over de precieze doodsoorzaak van Hendrik tasten we in het duister, maar in een brief van 23 februari 1950 aan RKD-medewerker Horst Gerson (1907-1978) schrijft Wilhelmina dat hij ‘[…] al lang niet zoo goed [was], leed soms aan geheugenstoornissen en het is wel mogelijk dat het de oorzaak geworden is van zijn ongeluk’.16

De verzameling
Volgens Hendrik Pieks testament uit 1948 hield hij zijn verzameling nauwkeurig bij in een antiquiteitenboek dat werd beheerd door de firma R. Mees en Zoonen te Den Haag. Helaas is het (nog) niet gelukt om dit antiquiteitenboek terug te vinden. Gelukkig valt er aan de hand van andere bronnen een aardige reconstructie te maken van de verzameling. We weten niet precies wanneer Piek begon met verzamelen, maar uit de briefwisseling met het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschap – waarin namens Wilhelmina Piek-van Ditmar wordt verzocht tot vrijstelling van ‘vermogensheffing ineens’ – blijkt in ieder geval dat hij al vóór het begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 een aanzienlijke verzameling kunst bezat.17 Verder deed hij ook na de oorlog aankopen, soms op openbare veilingen, soms via kunsthandelaren zoals Jacob Herman Jan Mellaart (1895-1972) en Antiquariaat Meijer Elte [5-7].

Op basis van de beschikbare bronnen is het totale aantal kunstwerken in Pieks bezit vast te stellen op circa 300 – te verdelen in twee hoofdcategorieën: kunstnijverheid en beeldende kunst. Iets meer dan de helft van de collectie betrof tekeningen, schilderijen en prenten van voornamelijk Hollandse kunstenaars uit de zeventiende en achttiende eeuw. Een opvallend groot aantal daarvan waren landschappen en topografische voorstellingen, waaronder bijvoorbeeld twee topografische tekeningen van Constantijn Huygens II (1628-1697) en het Gezicht op Den Haag vanuit het noordwesten door Jan ten Compe (1713-1761) uit 1750 [8-10].

5
Hans Liefrinck II
Uitgestrekt landschap met rotsen
zwart krijt, gewassen in bruin, grijs en groen op papier, 190 x 259 mm
Amsterdam, Stichting P. en N. de Boer, inv.nr. 529

6
Simon de Vlieger
Berglandschap met stroomversnelling
zwart krijt, gewassen in grijs op papier, 140 x 170 mm
veiling Amsterdam (Sotheby’s), 16 november 2005, nr. 141

7
Daniël Marot II
Het Stadhuis aan de Groenmarkt in Den Haag
rood krijt, penseel in zwart, grijs en bruin op papier, 152 x 197 mm
Amersfoort, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inv.nr. B2741


8
Constantijn Huygens II
Gezicht op de Waal bij Zaltbommel 14 maart 1669
pen in bruin, gewassen in bruin en blauw op papier, 208 x 331 mm
Parijs, Fondation Custodia – Collection Frits Lugt, inv.nr. 6308

9
Constantijn Huygens II
Gezicht over het Monnikenland in de Bommelerwaard, Woudrichem in de achtergrond 5 juni 1667
pen in bruin, gewassen in bruin en grijs op papier, 224 x 354 mm
Parijs, Fondation Custodia – Collection Frits Lugt, inv.nr. 6309


Verdere interessante stukken uit de collectie betreffen de twee stillevens van Balthasar van der Ast (1593/94-1657), een olieverfstudie van hondjes, toegeschreven aan Jan Verkolje I (1650-1693) en de geitenstudie van Cornelis Saftleven (1607-1681) [11-14]. De andere helft van de collectie Piek bestond uit meubels in voornamelijk de empire-, biedermeier- en Lodewijk XV- en XVI-stijl, Chinees en Delfts aardewerk en zilveren gebruiksvoorwerpen. Verder bezat hij een exemplaar van Raoul Lefèvre’s Recueil des histoires de Troyes uit 1464, dat geïllustreerd was met 44 miniaturen in grisaille, die ‘eenige overeenkomst vertoonen met die van [Loyset] Liédet’.18 De verzameling was zeker geen statisch geheel; Piek verkocht tijdens zijn leven geregeld werken of ruilde deze met andere verzamelaars. Zo verkocht hij in 1947 meerdere werken van leden van de Haagse kunstenaarsfamilie La Fargue aan het Haags Gemeentearchief.19

10
Jan ten Compe
Gezicht op Den Haag vanaf de Laan van Schuddegeest met links de Beekmolen en rechts de Grote of St. Jacobskerk 1750
olieverf op paneel, 26,5 x 36,5 cm
Antwerpen, Museum Smidt van Gelder, inv.nr. Sm 1196


11
Balthasar van der Ast
Stilleven met schelpen en een rups
olieverf op koper, 10,5 x 17,3 cm
Italië, particuliere collectie

12
Balthasar van der Ast
Tulp, hyacint, distelvlinder, schelp en vlieg op een stenen plint
olieverf op koper, 10,5 x 17,5 cm
Italië, particuliere collectie


Hendrik Piek en het RKD
Het eerste contact tussen het RKD en Hendrik Piek is niet te bepalen, maar het is waarschijnlijk dat Piek al voor de Tweede Wereldoorlog contact had met Jan Gerrit van Gelder (1903-1980), vanaf 1940 waarnemend directeur van het RKD. Blijkens een passage in Pieks testament was Van Gelder zeer betrokken bij de kunstverzameling, want er staat: ‘al wat de vroegere directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, de Heer Prof. J. van Gelder, steeds in het belang van mijn verzameling heeft gedaan’.20 Die betrokkenheid blijkt ook uit de briefwisseling tussen Van Gelder en Piek die in het RKD-archief bewaard wordt. Daarin staat hoe Van Gelder informatie verschafte over nieuwe aankopen van Piek; hoe hij zorgde voor bescherming van Pieks kunstwerken tijdens de oorlog door ze te laten onderbrengen in de schuilkelders in Noordwijk en Paasloo; hoe hij zich in 1944 en 1945 inzette om inkwartiering van evacués in de woning van Piek te voorkomen ter bescherming van de collectie; en hoe hij bemiddelde tussen Piek en Wilhelm Martin (1876-1954) bij de aankoop van twee tekeningen voor het Leidse Prentenkabinet.21

Nadat Van Gelder in 1946 het RKD verliet om zijn academische carrière te vervolgen, werden de contacten tussen het RKD en Hendrik Piek voortgezet door de medewerkers en latere directeuren Horst Gerson en Sturla J. Gudlaugsson (1913-1971). Zij boden Piek bijvoorbeeld hulp bij het verkrijgen van een exportvergunning voor een werk van Ruisdael. Ook zorgden zij ervoor dat de interessante kunstwerken uit zijn collectie gefotografeerd werden ten behoeve van de beelddocumentatie van het RKD. In 1949 organiseerden ze een tentoonstelling van een selectie van Pieks tekeningen en schilderijen, ter gelegenheid van de ‘Zomercursus in Nederlandse kunstgeschiedenis’ die plaatsvond tussen 2 en 23 augustus. Gedurende ongeveer zes weken waren 25 stukken uit de collectie te bewonderen in de grote zaal van het RKD, dat toen nog op Korte Vijverberg 7 gevestigd was.22 Zoals op te maken is uit de RKD beelddocumentatie en stukken in het RKD-archief, betrof de tentoonstelling voornamelijk getekende landschappen en stadsgezichten uit de zeventiende en achttiende eeuw, waaronder een prachtige gekleurde tekening van rustende ruiters in een boslandschap van Dirk Maas (1656-1717), een gezicht op Rhenen door Jan de Beijer (1703-1780) uit 1747 en vier brunailles uit het album van Allart van Everdingen, waarvan er één tegenwoordig onvindbaar is [15-20].23

Het legaat
Uit een brief van Jan van Gelder aan Hendrik Piek gedateerd 24 juli 1945, blijkt dat Piek op dat moment al nadacht over het nalaten van zijn kunstverzameling aan een openbare instelling. Helaas is de oorspronkelijke brief waarin hij zijn ideeën uiteenzet niet bewaard gebleven. Daardoor krijgen we slechts een fractie mee van wat hij voor ogen had. Uit de reactie van Van Gelder wordt gelukkig veel duidelijk:

Ten slotte de bestemming van Uw collectie. Het zijn buitengewoon sympathieke plannen, die U hiervoor hebt en ik juich ze zeer toe. Er is inderdaad iets voor te zeggen om in Den Haag ook een teekeningenkabinet te stichten, aangezien wij dit hier nog missen. Het Mauritshuis komt daarvoor dan wel in de eerste plaats in aanmerking, maar er is het bezwaar van te weinig plaatsruimte, hoewel het aanleiding zou kunnen geven om in de benedenverdieping een klein prentenkabinet te openen. Het is echter natuurlijk ook mogelijk, dat dit in een afzonderlijk gebouw wordt ondergebracht, of in het Museum Bredius, waar reeds teekeningen zijn, wanneer dit geheel aan den Staat of de Gemeente toevalt. Van de Prentenkabinetten komt m.i. alleen Leiden in aanmerking, daar zoowel Amsterdam, Rotterdam als Teyler reeds zeer goed voorzien zijn. Leiden zou door Uw collectie ineens veel belangrijker worden.24

De wens om (een deel van) zijn verzameling na te laten aan de Nederlandse Staat, komt vervolgens terug in het testament dat Piek in 1948 opstelde. Hij benoemt daarin zijn echtgenote Wilhelmina Piek-van Ditmar als zijn enige erfgename ‘onder de last om hetgeen zij bij haar overlijden van mijn kunstvoorwerpen en antiquiteiten onvervreemd of onverteerd zal overlaten, uit te keren aan de Staat der Nederlanden. […] Ik verzoek mijn echtgenote om naarmate van de behoefte, zaken van mijn nalatenschap te gelde te maken […]’.25 Tevens spreekt hij de wens uit dat het RKD zorg zal dragen voor een ‘doelmatige verdeling’ van de kunstwerken over geschikte openbare instellingen. Als reden voor het schenken van zijn collectie stelt Piek dat hij een ‘verbrokkeling van mijn verzameling kunstvoorwerpen en antiquiteiten’ wil voorkomen. Tevens moet zijn schenking dienen als blijk van erkentelijkheid voor het advies en de hulp die hij van Jan van Gelder heeft mogen ontvangen.26

Nadat Hendrik Piek door een ongeval om het leven was gekomen, ontstond er vrij snel contact tussen zijn weduwe en het RKD. Horst Gerson stuurde haar op 25 januari 1950 een condoleancebrief, waarin hij refereerde aan de schenking van Pieks collectie: ‘Uw man heeft mij herhaaldelijk verteld dat hij voorzieningen had getroffen om zijn gehele kunstbezit aan het Rijk te legateren en dat ons Bureau zich met de verdeling had te belasten. Indien dit zo is, ben ik natuurlijk steeds bereid om alle hieruit voorkomende werkzaamheden met U te regelen en te overleggen’.27 Dat Gerson hierbij te hard van stapel liep en niet wist dat de verzameling pas ná het overlijden van de weduwe van Piek aan de Nederlandse Staat geschonken zou worden, blijkt uit de brief die hij enige dagen later schrijft: ‘De notaris Bruins heeft mij kort geleden op de hoogte gesteld van de bepalingen van het testament van wijlen Uw echtgenoot, voorzover zij ons bureau betroffen. Ik haast mij evenwel U te verzekeren, dat wij hopen, dat U nog vele jaren van Uw kunstschatten zult mogen genieten. Intussen zijn wij zeer dankbaar dat de Staat der Nederlanden uiteindelijk een gedeelte van deze collectie zal erven. Het spreekt vanzelf, dat mijn collega’s en ik steeds gaarne bereid zijn U in kunstzaken van advies te dienen, zoals wij dit ook wijlen Uw echtgenoot deden’.28

Het is goed denkbaar dat Gerson teleurgesteld was dat de collectie van Piek niet meteen na diens overlijden aan de Nederlandse Staat toekwam. Wilhelmina Piek-van Ditmar zou in de jaren daarna veel kunstvoorwerpen kunnen verkopen om in haar levensonderhoud te voorzien. Er was kans dat er onvoldoende interessante stukken zouden overblijven voor het Nederlands openbaar kunstbezit. In ieder geval blijft Gerson betrokken bij de zaak en maakt hij in de maanden na Pieks overlijden op verzoek van notaris E. Bruins een taxatie van de nalatenschap. Daarbij heeft hij, ‘in gemeenschappelijk overleg met Mej. Dr. B.M.L.J. Jansen, conservatrice van het Gemeentemuseum alhier, en Mej. Dr. A. Berendsen, assistente aan het Kunsthistorisch Instituut te Leiden’, de vrijheid genomen om een aantal kunstwerken aan te merken die goed tot hun recht zouden komen in één van de Nederlandse openbare collecties.29 Interessant genoeg schrijft hij: ‘Met opzet heb ik de keuze niet ruim genomen en vele op zich zelf beschouwd belangrijke stukken buiten beschouwing gelaten, omdat overeenkomstige kunstwerken reeds in onze musea aanwezig zijn. Wij zouden het natuurlijk zeer toejuichen, indien Mevr. Piek juist deze aangestreepte kunstwerken voorlopig niet zou willen verkopen’.30 Verder suggereert hij dat, indien Wilhelmina Piek-van Ditmar toch zou besluiten om een of meerdere van de geselecteerde stukken te verkopen, zij deze dan eerst ter verkoop aanbiedt aan de Staat der Nederlanden of één van de musea die voor het stuk in aanmerking zouden komen. Het is duidelijk dat Gerson het belang van de Rijkscollectie steeds in het oog hield en probeerde om de belangrijkste kunstwerken op de één of andere manier voor het openbaar kunstbezit veilig te stellen.

13
toegeschreven aan Jan Verkolje I
Studie van honden
olieverf op paneel, maten onbekend
verblijfplaats onbekend
Foto collectie RKD

14
Cornelis Saftleven
Studie van geiten
zwart krijt op geprepareerd papier, 181 x 260 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PK-1969-T-21

15
Dirk Maas
Bebost heuvellandschap met rustende jagers
potlood, penseel in kleur op papier, 165 x 210 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PK-1969-T-16

16
Jan de Beijer
Gezicht op Rhenen, over de Rijn 1747
grafiet, pen in grijs, gewassen in kleur op papier, 156 x 403 mm
veiling Amsterdam (Christie’s), 10 november 1998, nr. 186

17
Allart van Everdingen
IJsgezicht met vastgevroren zeilboot en schaatsers
bruine en witte olieverf op papier, 47 x 83 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1968-99

18
Allart van Everdingen
Begroeide rotskust met wandelaars
bruine en witte olieverf op papier, 47 x 83 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1968-99

19
Allart van Everdingen
Zeegezicht met zeilschepen en een gezonken schip tussen de rotsen
bruine en witte olieverf op papier, 47 x 83 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1969-99

20
Allart van Everdingen
Zeegezicht met fregat tussen de rotsen
bruine en witte olieverf op papier, 47 x 83 mm
Verblijfplaats onbekend
Foto collectie RKD

Zijn lijst van belangwekkende stukken uit de collectie Piek – die uiteindelijk de basis bleek voor het uiteindelijke legaat – is bewaard gebleven in het RKD archief en is een gevarieerde opsomming van meubelen, aardewerk, tekeningen en schilderijen. Helaas is Gersons poging om zoveel mogelijk van deze stukken te behouden voor het uiteindelijke legaat niet volledig gelukt: van de ruim zestig nummers op zijn lijst, zijn er uiteindelijk slechts veertig gelegateerd aan de Nederlandse Staat.31

Toen Gerson in de zomer van 1952 een bezoek bracht aan Wilhelmina Piek-van Ditmar, ‘om na te gaan, of er nog kunstwerken aanwezig zijn, die “in aanmerking zouden komen voor plaatsing in musea”’, rapporteerde hij aan notaris Bruins dat van de lijst die hij in 1950 opgesteld had, reeds maar liefst 25 kunstwerken waren verkocht, waaronder een stilleven met bloemen en vruchten van J. Bosschaert dat hij erg belangrijk achtte.32 Ook de twee hierboven genoemde topografische tekeningen van Constantijn Huygens II waren verkocht, en wel aan Frits Lugt (1884-1970) [8-9].33 Tevens had Piek-van Ditmar meerdere werken van de Haagse kunstenaarsfamilie La Fargue verkocht, waaronder De Achterweg in Voorschoten van Jacob Elias la Fargue (1735-in of na 1778) [21].34 In reactie op de verkoop van zoveel belangwekkende stukken, stelde Gerson een aanvullend rijtje kunstwerken voor dat tevens in aanmerking zou kunnen komen voor schenking aan de Nederlandse Staat. Daaronder waren bijvoorbeeld een gekleurde tekening op perkament door Willem van Mieris (1662-1747) en een mansportret toegeschreven aan Adriaen Thomasz. Key (ca. 1545-1589) [22-23]. Uit de brief van Gerson blijkt verder dat de totstandkoming van deze lijsten niet per se eenvoudig verliep. Hij ‘kreeg de indruk, dat Mevrouw Piek bezwaar had tegen het plaatsen van enkele oude meubels op deze oude lijst, die ze beschouwt als haar persoonlijk eigendom of inboedel’ en vraagt notaris Bruins of hij daarover nog eens met mevrouw Piek zou willen praten, ‘om moeilijkheden in de toekomst te voorkomen’.35

Hoewel directe aanwijzingen ontbreken, lijkt het erop dat het contact tussen notaris Bruins en Gerson in de zomer van 1952 moest leiden tot het opstellen van een akte die het legaat van Wilhelmina Piek-van Ditmar officieel vastlegde. Dit proces liep gelijktijdig met het verzoek om vrijstelling van de ‘vermogensheffing ineens’, zoals blijkt uit de correspondentie tussen het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW), de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten en Landry & Van Till Bankiers, die Piek-van Ditmar vertegenwoordigden.36 Het eerste concept van een dergelijke schenkingsakte was in december 1952 gereed en werd ter accordering aan Gerson voorgelegd, met het verzoek om het te bespreken met de overige betrokken instanties, zoals het ministerie van OKW.37 Uit de reactie van het ministerie wordt duidelijk dat in het concept geen of nauwelijks melding gemaakt werd van het nalaten van ‘tal van voorwerpen […], in het bijzonder meubels’, ondanks dat deze volgens de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten ‘heel goed op hun plaats zouden zijn in kleinere musea’. De minister suggereert daarom dat notaris Bruins probeert om Wilhelmina Piek-van Ditmar te overtuigen om ook een aantal meubels in de schenkingsakte op te nemen. Verder machtigt hij Horst Gerson om namens hem de betreffende stukken te ondertekenen.38

Uiteindelijk wordt de definitieve ‘akte, houdende vaststelling van de kunstvoorwerpen en antiquiteiten afkomstig uit de nalatenschap van de Heer H. Piek, overleden te ’s-Gravenhage, op 18 januari 1950, waarvan de Staat der Nederlanden verwachter is krachtens fidei commis de resudio’ op 1 december 1953 ondertekend door Wilhelmina Piek-van Ditmar en Horst Gerson. Uit de lijst van ‘kunstvoorwerpen en antiquiteiten waarop het voormelde legaat des erflaters betrekking heeft en waarin […] de Staat der Nederlanden belangstelt’ blijkt dat het is gelukt om een aardig aantal meubelstukken en aardewerken voorwerpen toe te voegen aan het definitieve legaat.

21
Jacob Elias la Fargue
De Achterweg in Voorschoten
pen en penseel in bruin, wit gehoogd, over zwart krijt op papier, 225 x 327 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1950-393

22
Willem van Mieris
Het oordeel van Paris 1693
waterverf op perkament, 172 x 200 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PT-T-1969-15

23
toegeschreven aan Adriaen Thomasz. Key
Portret van een man
olieverf op paneel, 36 x 27,7 cm
Amersfoort/Rijswijk, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, inv.nr. AB 2120


24
Nicolaes Aartman
December: vissen op het ijs 1759
grafiet, gewassen in bruin op papier, 104 x 197 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PK-T-1969-12

25
Nicolaes Aartman
Februari: carnavalsoptocht in een dorp 1759
grafiet, gewassen in bruin op papier, 104 x 197 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PK-T-1969-2


De totale lijst beslaat veertig nummers, waarvan vijftien stuks kunstnijverheid en 25 kunstwerken.39 Opvallende stukken daaruit betreffen de serie van de twaalf maanden door Nicolaes Aartman (1713-1760), het reeds genoemde brunaille-album van Allart van Everdingen, en een grote gekleurde tekening van Hendrik Meijer (1744-1793) uit 1767 [24-27]. Net als in Hendrik Pieks testament van 1948, staat er in de akte vermeld dat Wilhelmina Piek-van Ditmar de enige erfgenaam is van de volledige nalatenschap en dat het RKD zorg zal dragen voor de verdeling van de geschonken kunstwerken. Daaraan wordt toegevoegd dat beide partijen in de huidige akte vastleggen welke kunstwerken precies tot het legaat zullen behoren en dat de Nederlandse Staat ‘niet in alle kunstvoorwerpen en antiquiteiten, […] belangstelt, doch slechts in diegene, welke in de thans op te maken beschrijving zullen worden opgenomen’. Er wordt ook genoteerd dat ‘de Staat der Nederlanden dus slechts een verwachting heeft ten aanzien van bovenvermelde zaken, zodat indien en voorzover die zaken bij het overlijden van comparante sub 1 [Wilhelmina Piek-van Ditmar] nog aanwezig zijn’.40 Hoewel Wilhelmina Piek-van Ditmar volgens deze laatste opmerking nog steeds items uit het voorgenomen legaat had kunnen verkopen, heeft ze dat niet gedaan. Zij bezat natuurlijk nog een aanzienlijke collectie kunstwerken, meubels, zilver en aardewerk, die niet tot het legaat behoorden en die zij dus zonder problemen kon verkopen om in haar levensonderhoud te voorzien.

Nadat in 1953 de schenkingsakte ondertekend was, vond er nauwelijks nog correspondentie plaats tussen Wilhelmina Piek-van Ditmar en het RKD, noch tussen haar en het ministerie van OKW. In 1957 schrijft ze een briefkaart aan de Rijksinspecteur voor Roerende Monumenten, Daan Lunsingh Scheurleer (1908-1999), over problemen met het huurcontract van haar woning op Noordeinde 111A, waar ze sinds 1945 woonde. Het zou tot het najaar van 1960 duren voordat zij verhuisde naar de Frederik Hendriklaan 15, alwaar ze tot aan haar dood in 1968 zou blijven wonen.41

De verdeling van het legaat
Na het overlijden van Wilhelmina Piek-van Ditmar op 11 januari 1968, wordt het RKD vrijwel direct telefonisch op de hoogte gesteld door de executeur testamentair, notaris J. M. Demenint.42 Een week later inspecteert Demenint de boedel ter plaatse en stuurt hij het RKD een lijst van alle kunstwerken die deel uitmaken van het voorgenomen legaat en die nog steeds aanwezig zijn in de woning van Piek-van Ditmar. Enkel de serie van twaalf maanden van Nicolaes Aartman trof hij aanvankelijk niet aan.43 De kunstwerken werden vervolgens op 5 februari getransporteerd naar het RKD. In de daaropvolgende weken voert RKD-directeur Sturla Gudlaugsson de benodigde correspondentie met het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) om het legaat officieel te laten aanvaarden door de Staat der Nederlanden. In maart 1968 wordt hij door de minister van CRM gemachtigd om het legaat te accepteren. Tevens vraagt de minister hem om een voorstel ‘betreffende de verdeling van het gelegateerde’.44 Voordat Gudlaugsson zijn voorstel voorlegt aan het ministerie, overlegt hij eerst met Karel Boon (1909-1996), directeur van het Rijksprentenkabinet in Amsterdam. Boon inspecteerde alle kunstwerken uit het legaat ter plekke op het RKD en deed een eerste voorstel voor de verdeling. Daaruit blijkt dat er voor de tekeningen en schilderijen aan vier bestemmingen wordt gedacht: het Rijksprentenkabinet Amsterdam, het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden, het Haags Gemeentearchief en het Institut Néerlandais in Parijs.

26
Allart van Everdingen
Gezonken schip bij een rotsboog, met een roeiboot
bruine en witte olieverf op papier, 47 x 83 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1968-99

27
Hendrik Meijer
Oogst bij een dorp in een heuvelachtig landschap 1767
pen in bruin, gouache op papier, 435 x 545 mm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv.nr. RP-T-1968-93

Op 2 augustus 1968 stuurt Gudlaugsson zijn uiteindelijke voorstel voor de verdeling naar het ministerie. Twee maanden later volgt het akkoord van de minister, maar in de tussentijd brengt Gudlaugsson zijn collega’s bij de andere instellingen alvast op de hoogte.45 De meubels en het aardewerk zouden worden ondergebracht bij de Dienst voor ’s Rijks Verspreide Kunstvoorwerpen (de latere Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed), het Institut Néerlandais ontving drie tekeningen in bruikleen en het Amsterdamse Rijksprentenkabinet kreeg zeven tekeningen en het brunaille-album van Allart van Everdingen in eigendom.46 Twee topografische tekeningen werden in bruikleen gegeven aan het Haags Gemeentearchief en het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden, tot slot, werd eigenaar van negen tekeningen en de serie van de twaalf maanden van Nicolaes Aartman.47

Het enige schilderij uit het legaat, het mansportret toegeschreven aan Adriaen Thomasz. Key, werd in bruikleen gegeven aan het Prinsenhof in Delft [23]. In oktober 1968 werden de meeste tekeningen direct naar hun nieuwe onderkomens getransporteerd. Het mansportret van Key verhuisde in maart 1969 naar Delft en de twee bruiklenen aan het Haags Gemeentearchief werden pas in november 1970 overgedragen.48

In zijn voorstel van augustus 1968 noemt Gudlaugsson één tekening die hij niet direct op een juiste plaats kon onderbrengen, omdat ‘deze tekening niet als rechtmatig bestanddeel van de verzameling kan worden beschouwd’.49 Het betreft hier de dubbelzijdige tekening van Leonaert Bramer (1596-1674) die vóór de Tweede Wereldoorlog verdwenen was uit de Zweedse Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Stockholm [28-29]. Hoe Piek de tekening in zijn bezit heeft gekregen is niet duidelijk, maar uit Gudlaugssons woorden blijkt wel dat men op de hoogte was van de problematische status van de tekening. In de jaren die volgden probeerden meerdere RKD-medewerkers het blad terug te geven aan de rechtmatige eigenaar, maar het blijft onduidelijk waarom dat niet lukte.50 Pas in 2005 werd de tekening door het RKD teruggegeven aan de Zweedse Kunstacademie.51

Naast het verdelen van de kunstwerken uit het legaat, droegen RKD-medewerkers nog op een andere manier bij aan de afhandeling van de nalatenschap van Wilhelmina Piek-van Ditmar. Waarschijnlijk op verzoek van de executeur testamentair, inspecteerden zij op 27 augustus 1968 een vijftiental kunstwerken dat geveild zou gaan worden bij het Venduhuis der Notarissen in Den Haag.52 Het betrof een gevarieerde lijst werken, de meesten met vrij onduidelijke toeschrijvingen die niet verder konden worden opgehelderd. Dankzij de expertise en contacten van de RKD-medewerkers lukte het echter wel om een fragment van een tekening van Hendrick van Cleve (ca. 1525-1590/1591) te verenigen met het andere deel, dat al sinds 1957 in het Leidse Prentenkabinet was [30].

Ondanks dat van een aardig deel van de ruim 150 tekeningen en schilderijen bekend is waar ze terechtgekomen zijn na het overlijden van Hendrik dan wel Wilhelmina, blijft van een aanzienlijk aantal werken onduidelijk wat er mee is gebeurd. Het is zeer goed mogelijk dat Hendrik of Wilhelmina deze stukken tijdens hun leven onderhands verkocht hebben aan kunsthandelaren of verzamelaars, waardoor er nauwelijks sporen van zijn terug te vinden.

Slot
Terugkerend naar de stelling die ik in het begin van dit artikel introduceerde – namelijk dat het RKD en zijn medewerkers zich al sinds jaar en dag actief inzetten voor het behoud en de verrijking van de Collectie Nederland – kunnen we concluderen dat de betrokkenheid van Jan van Gelder, Horst Gerson en Sturla Gudlaugsson bij de totstandkoming en afhandeling van het legaat Piek-van Ditmar veelbetekenend is geweest. Dankzij hun inhoudelijke expertise, goede contactuele eigenschappen en daadkrachtige handelen zijn interessante kunstwerken voor het Nederlands openbaar kunstbezit behouden gebleven.53

28
Leonart Bramer
Figuren op een stadsplein
pen en penseel in grijs op papier, 224 x 385 mm
Stockholm, Kungliga Akademien för de fria konsterna

29
Leonart Bramer
Figuren achter een balustrade
pen en penseel in grijs op papier, 224 x 385 mm
Stockholm, Kungliga Akademien för de fria konsterna

30
Hendrik van Cleve III
Rivierlandschap met een stenen brug
pen in bruin, gewassen in blauw op papier, 182 x 288 mm
Universitaire Bibliotheken Leiden, inv.nr. PK-T-AW-178


Noten

1 Brief van de minister van OCW aan de Raad voor Cultuur, 19 februari 2019, ref. 1484151.

2 Rapport Adviescommissie Bescherming Cultuurgoederen, Van terughoudend naar betrokken. Hoe cultuurgoederen en verzamelingen onder de Erfgoedwet adequaat te beschermen, 30 september 2019, pp. 58, 59.

3 Beleidsreactie op rapport Adviescommissie Bescherming Cultuurgoederen van de minister van OCW, I.K. van Engelshoven, 17 december 2019, red. 1 7 869997, p. 5.

4 RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Huis van de Kunstgeschiedenis. Beleids- en activiteitenplan 2021-2024, p. 14.

5 Zie voor Villa Vredelust het monumentenregister van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (geraadpleegd op 20 april 2022).

6 W.M.C. Regt, ‘Het geslacht Piek’, De Navorscher. Een middel tot gedachtenwisseling en letterkundig verkeer tusschen allen, die iets weten, iets te vragen hebben of iets kunnen oplossen 67 (1918), pp. 355-356, 363; A. Landheer, ‘De Toren van Villa Germania’, Van Stolkparkkoerier 10 (1988) 41, p. 9.

7 Zo startte hij in 1901 samen met zakenpartner Willem Ebbeler een ‘vennootschap van koophandel tot het voor gemeenschappelijke rekeningen uitoefenen van het bedrijf van Bankier, Commissionair in Effecten en Administrateur’ genaamd firma Ebbeler & Piek. In de landelijke dagbladen is deze firma met enige regelmaat terug te vinden in advertenties voor hypotheekbrieven en andersoortige beleggingen. De vennootschap werd in 1904 weer ontbonden, zie: ‘Bij acte, den 28n December 1901’, Haagsche Courant 2 januari 1902; ‘Blijkens akte den 28en Mai 1904’, Algemeen Handelsblad 31 mei 1904, p. 4; Den Haag, Haags Gemeentearchief (HGA), 373-01 Notarieel archief Den Haag II, inv.nr. 2851, 28 december 1901, aktenummer 1889; inv.nr. 2966, 28 mei 1904, aktenummer 2693. Piek werd benoemd tot directeur van de Haagse filiaal van de Leidse Effecten- en Wisselbank, gevestigd op de Lange Poten 41. Doordat één van de directeuren in Leiden fraude had gepleegd kwam de bank in financiële moeilijkheden en ging hij in 1907 failliet. Piek richtte daardoor min of meer noodgedwongen samen Johannes Marinus Ruijs (1861-1943) de vennootschap Ruijs & Piek op, die eveneens een ‘Bankiers- en kassiersbedrijf’ was. De vennootschap zou van 1907 tot 1916 bestaan. Zie: Den Haag, Haags Gemeentearchief, 7000-01 Bibliotheek Haags Gemeentearchief, inv.nr. 187, Adresboek 1906-1907, p. 418; ‘Financieele berichten. De catastrophe te Leiden’, Het vaderland 19 oktober 1907, z.p.; ‘Ter voldoening aan artikel 31 Wetboek van Koophandel’, Het vaderland 31 december 1915, z.p.

8 M. Boom, Everyone a photographer. The rise of amateur photography in the Netherlands 1880-1910, Amsterdam 2019, p. 122. De omvangrijke verzameling van voornamelijk oude tekeningen, boeken en negentiende-eeuwse Nederlandse en Franse schilderijen ging in drie aparte veilingen bij Frederik Muller in Amsterdam onder de hamer: 9 februari 1897 (Lugt 55003); 28-29 april 1897 (Lugt 55315a); 1-2 juni 1897 (Lugt 55456).

9 W.F. Piek jr. werd uiteindelijk directeur van de Holland-Amerika Lijn in Rotterdam, zie: H. Brugman en N. Japikse, Persoonlijkheden in het koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Nederlanders en hun werk, Amsterdam 1938, p. 1734.

10 Den Haag, Haags Gemeentearchief, 0335-01 Ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, inv.nr. 795, 06-09-1906, aktenummer 1593.

11 Den Haag, CBG – Centrum voor Familiegeschiedenis, Familieadvertenties 1795-1970, nummer toegang 1716, familienaam Piek, blad 15.

12 Nederlands Patriciaat 10 (1919), p. 352; C.J. Aarts en M.C. van Etten, 75 jaar Nijgh & Van Ditmar. Nimmer Dralend 1837-2012, Amsterdam 2015, pp. 127-128, 231.

13 Zie voor de diverse adressen de adresboeken van Den Haag en de gezinskaart van Hendrik Piek: Den Haag, Haags Gemeentearchief (HGA), 0354-01 Bevolkingsregister (gezinskaarten) van de gemeente Den Haag 1913-1939. Gezinskaarten, alfabetisch geordend op achternaam van het gezinshoofd, 1913-1939, inv.nr. 1359; HGA 7000-01 Bibliotheek Haags Gemeentearchief, inv.nr. 187, p. 418; inv.nr. 188, p. 528; inv.nr. 126, p. 429; inv.nr. 126B, p. 442; inv.nr. 126C, p. 460; inv.nr. 126D, p. 400.

14 A. Landheer, ‘De Toren van Villa Germania’, Van Stolkparkkoerier 10 (1988) 41, p. 9.

15 Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nrs. 15-17.

16 Brief van Wilhelmina Piek-van Ditmar aan Horst Gerson, 23 februari 1950, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 30.

17 Hendrik Piek had zelf al in 1948 een poging gedaan om vrijstelling van de vermogensheffing te krijgen. Daarvoor liet hij aanbevelingsbrieven schrijven door diverse belangrijke functionarissen, waaronder de directeur van het Haags Gemeente Archief, antiquair en Rijksexpert Alex Huisman en RKD-directeur Horst Gerson. Zie: Den Haag, Nationaal Archief, Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming en taakvoorgangers, nummer toegang 2.14.73, inv.nr. 941.

18 Nederlandsche kunst van de XVde en XVIde eeuw, tent.cat. Den Haag (Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis) 1945, p. 71, nr. 121. Jan van Gelder bemiddelde tussen Hendrik Piek en het Mauritshuis om de bruikleen voor elkaar te krijgen. Zie de brief van Jan van Gelder aan Hendrik Piek, 24 juli 1945, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 17.

19 Paulus Constantijn la Fargue, De Geestbrug bij Rijswijk, gezien vanaf de Cromvlietkade, in de richting van Drievliet, ca. 1760, pen in bruin en grijsbruin, 224 x 375 mm, Den Haag, Haags Gemeentearchief, inv.nr. kl.a 2490; Maria Margaretha la Fargue, Een visverkoper bij een boerderij, zwart krijt, pen in grijs, penseel in kleur, 240 x 341 mm, Den Haag, Haags Gemeentearchief, inv.nr. kl.a 2424; idem, De Dunne Bierkade en de Bierkade in Den Haag, gezien naar het Spui, pen in grijs, penseel in kleur, gehoogd met wit, over zwart krijt, 243 x 329 mm, Den Haag, Haags Gemeentearchief, inv.nr. kl.a 74. Met dank aan Charles Dumas, die momenteel een oeuvrecatalogus over de familie La Fargue voorbereidt en deze informatie genereus met mij deelde.

20 Afschrift van het testament van Hendrik Piek, 8 november 1948, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

21 Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nrs. 15-17, 164. In de bezoekersregistratie over de jaren 1932-1950 wordt Pieks naam geen enkele keer genoemd. Hij zal dus waarschijnlijk zelf geen onderzoek hebben verricht naar de kunstwerken die hij bezat.

22 Brief/notitie van het RKD, 23 augustus 1949, Den Haag, Nationaal Archief, Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming en taakvoorgangers, nummer toegang 2.14.73, inv.nr. 941; C. Veth, Haagsche Courant 8 september 1949; Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Verslag van de waarnemend directeur over het jaar 1949, Den Haag 1950, p. 1.

23 Naar aanleiding van de tentoonstelling lieten Gerson en Gudlaugsson de tentoongestelde stukken fotograferen, om daarna de foto’s op te nemen in de beelddocumentatie. Op de kartons van deze foto’s is steeds genoteerd ‘Tent. RKD. 1949’.

24 Brief van Jan van Gelder aan Hendrik Piek, 24 juli 1945, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 17.

25 Afschrift van het testament van Hendrik Piek, 8 november 1948, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

26 Afschrift van het testament van Hendrik Piek, 8 november 1948, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

27 Brief van Horst Gerson aan Wilhelmina Piek-van Ditmar, 25 januari 1950, Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 30.

28 Brief van Horst Gerson aan Wilhelmina Piek-van Ditmar, 11 februari 1950, Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 30.

29 Beatrice Jansen (1914-2008) en waarschijnlijk Anna Albertina Johanna Berendsen (1911-2005).

30 Brief van Horst Gerson aan notaris E. Bruins, 21 april 1950, Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

31 ‘Voorwerpen uit de nalatenschap van de Heer H. Piek, welke volgens het Rijksbureau voor kunsthistorische Documentatie in aanmerking zouden komen voor plaatsing in musea’ (zonder datum), Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

32 Waarschijnlijk Johannes Bosschaert (ca. 1606/1608-1628/1629).

33 J.H. Heijbroek, Frits Lugt 1884-1970. Leven voor de kunst, 2010, pp. 339-340, 453, noot 100. Van Gelder en Mellaart bemiddelden in deze transactie tussen Piek-van Ditmar en Lugt.

34 De drie andere werken van de La Fargues die Piek-van Ditmar had verkocht, betreffen: P.C. la Fargue, Het strand van Katwijk gezien vanuit het noordoosten, 1770, pen en penseel in bruin, 207 x 359 mm, John & Marine van Vlissingen Collection, inv.nr. 2004/13; Paulus Constantijn la Fargue, Gezicht op Delft vanuit het noorden, olieverf op paneel, 29,5 x 46 cm, huidige verblijfplaats onbekend; Karel la Fargue, Gezicht op Rotterdam vanuit het noordoosten, 1786, zwart krijt, penseel in grijs, 316 x 460 mm, Museum Rotterdam. Wederom met dank aan Charles Dumas.

35 Brief van Horst Gerson aan notaris E. Bruins, 4 september 1952, Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

36 Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Schenkingen en Legaten Archief, dossier W.H. Piek-van Ditmar; Den Haag, Nationaal Archief, Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming en taakvoorgangers, nummer toegang 2.14.73, inv.nr. 941.

37 Brief van notaris E. Bruins aan Horst Gerson, 8 december 1952, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

38 Brief van de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen aan Bob de Vries, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, 10 januari 1953, Amersfoort, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Schenkingen en Legaten Archief, dossier W.H. Piek-van Ditmar.

39 Afschrift van Akte 1 december 1953, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104. Een tweede exemplaar hiervan is te vinden bij: Amersfoort, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Schenkingen en Legaten Archief, dossier W.H. Piek-van Ditmar.

40 Afschrift van Akte 1 december 1953, Den Haag, RKD –Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

41 Wilhelmina Piek-van Ditmar moest voor deze verhuizing toestemming krijgen van het ministerie van OKW, zoals blijkt uit diverse brieven. Ze voerde daarbij meerdere referenties op, die voor de kwaliteit van haar kunstverzameling konden instaan. Hieronder waren Jan van Gelder, Horst Gerson en Daan Lunsingh Scheurleer. Zie: Den Haag, Nationaal Archief, Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming en taakvoorgangers, nummer toegang 2.14.73, inv.nr. 929; Amersfoort, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Schenkingen en Legaten Archief, dossier W.H. Piek-van Ditmar.

42 Brief van notaris J.M. Demenint aan J. Nieuwstraten, 16 januari 1968, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

43 De serie van twaalf tekeningen werd alsnog teruggevonden en op een later moment aan het RKD overgedragen, zie brief van J. Nieuwstraten aan notaris J.M. Demenint, 10 april 1968, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

44 Brief van S.J. Gudlaugsson aan het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), 20 februari 1968; brief van het ministerie van CRM aan het RKD, 18 maart 1968, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

45 Diverse brieven in: Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nrs. 103-104.

46 Parijs, Institut Néerlandais: Valentijn Klotz, Gezicht op de Lambertuskerk in Veghel, 1676; Abraham Rutgers, Rivierlandschap met molen, kerken in de achtergrond; Roelant Roghman, Landschap met doorgang door de rotsen. Amsterdam, Rijksprentenkabinet: Jacob Elias la Fargue, Gezicht te Leiderdorp; Philips Huygens, Gezicht op Breda met het kasteel en de Grote kerk, 1651; Herman ten Kate, Kermis te Leeuwarden, de Oldehove in het verschiet, 1853; Hendrick Meijer, Hazenjacht; Hendrick Meijer, Oogst bij een dorp in een heuvelachtig landschap, 1767; Johan Huibert Prins, Stadsplein met kermis, 1793; Reinier Vinkeles, Amsterdam: de Dam met het Stadhuis en de Waag.

47 Haags Gemeentearchief: Daniel Marot, Het stadhuis aan de Groenmarkt in Den Haag; Paulus Constantijn la Fargue, De Scheveningseweg (de latere Zeestraat) in Den Haag, gezien naar het Noordeinde. Universiteit Leiden: Anoniem, Rome, ca. 1700, Studie van koppen en een lichaam van een geestelijke; Jacob Cats (1741-1799), Landschap met huizen langs een weg, 1773; idem, Landschap met boeren en een graanveld, 1795; Dirk Langendijk, Gevecht tussen soldaten en boeren, 1788; omgeving van Ottavio Leoni, Jongensportret; Dirk Maas, Bebost heuvellandschap met rustende jagers; Willem van Mieris, Het oordeel van Paris, 1693; Jean Pillement, Landschap met oude huizen, 1771; Cornelis Saftleven, Studie van geiten.

48 Voor de ontvangstbevestigingen, zie: Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

49 Brief van S.J. Gudlaugsson aan het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, 2 augustus 1968, Den Haag, RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, RKD-Archief 1932-1974 (0328), inv.nr. 104.

50 Zie de brief van An Zwollo, augustus 1991 in de RKD Beelddocumentatie, BD/RKD/0174 - ONT/Ornamenten, titelbladen en beeldhouwwerk.

51 RKD returns missing drawing by Leonard Bramer tot the Swedish Academy of Art during CODART Acht Study Trip’, website Codart, 17 oktober 2005 (geraadpleegd op 1 maart 2022).

52 Deze veiling vond uiteindelijk plaats op 5 november 1968.

53 Met hartelijk dank aan Yvonne Bleyerveld, Eric Domela-Nieuwenhuis, Maud Guichané, Edward Grasman, Jeroen Kapelle, Fransje Kuyvenhoven, Ewoud Mijnlieff en Evelien de Visser voor hun hulp en goede tips.

Cookiemelding

Tijdens het surfen op het internet worden uw voorkeuren onthouden door middel van cookies. Cookies zijn kleine tekstbestanden die door een internetpagina op een pc, tablet of mobiele telefoon worden geplaatst. Cookies worden gebruikt om uw gebruikerservaring te verbeteren door het anoniem monitoren van webbezoek, het delen van informatie op social media mogelijk te maken, de effectiviteit van online marketingcampagnes te meten en om online advertenties aan te passen aan uw interesses. Door te surfen op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.
Ik ga akkoord