2020

RKD BULLETIN

De notitieboekjes van Abraham Bredius, een nieuw ontsloten bron van onderzoek

Irene Meyjes

De aantekeningen van de befaamde kunsthistoricus Abraham Bredius (1855-1946) zijn een onmisbare en waardevolle bron voor de onderzoeker naar Hollandse meesters uit de zeventiende eeuw. Begin 2019 werden zijn aantekeningen over schilders en steden gedigitaliseerd, ongeveer de helft van het acht meter strekkende Bredius-archief. Ter voorbereiding hierop werd het archief dat Bredius na zijn overlijden aan het RKD heeft gelegateerd, geïnventariseerd.1 Naast duizenden aantekeningen bevat dit archief onder andere manuscripten, correspondentie en een aantal zeventiende-eeuwse documenten.

De onderzoeker en zijn aantekeningen
Als 21-jarige maakte Bredius een grand tour door Italië, die zijn vermogende vader hem had aangeboden. Het zou een levensbepalende ervaring voor hem worden, want hij werd volkomen gegrepen door zowel de klassieke tempels als de Sint Pieter en de Renaissance-paleizen. Hij leerde snel Italiaans en begaf zich in kringen van kunstkenners, waaronder August Fischer uit Breslau, die hem aanspoorde kunsthistoricus te worden.2 De retorische vraag die Wilhelm Bode, destijds Direktorialassistent in de Gemäldegalerie van de Königlichen Museen zu Berlin, in 1878 aan Bredius stelde, zette hem op het juiste spoor: ‘Zoudt gij niet in de eerste plaats uwe eigen oud-Hollandsche kunst bestudeeren en in dien chaos wat orde en regeling brengen?’3

Terug in Nederland, kwam Bredius terecht in een land waar ten tijde van Koning Willem III nauwelijks aandacht was voor kunst en cultureel erfgoed. ‘Om den toestand te bestempelen waarin hier te lande de monumenten van kunst en historie verkeeren, is zeker het woord ellendig niet onjuist gekozen’, aldus Victor de Stuers.4 In dit cultuurarme klimaat deed Bredius als één van de eersten in Nederland onderzoek naar Hollandse kunstenaars uit de Gouden Eeuw.5 Met tomeloze energie en doorzettingsvermogen onderzocht hij stads- en streekarchieven op genealogische en andere biografische gegevens. Hij ploos boedelinventarissen, doop-, trouw- en begraafboeken uit op zoek naar bijzonderheden over schilders.6 Handtekeningen in notariële akten kopieerde hij op calqueerpapiertjes, zodat hij deze kon vergelijken met die op schilderijen en zo toeschrijvingen kon verifiëren.7 Over zijn archiefvondsten publiceerde Bredius aan de lopende band artikelen, onder andere (vanaf 1886 tot zijn overlijden in 1946) in de rubriek ‘Archiefsprokkelingen’ in Oud Holland.8 Zijn aantekeningen bewaarde hij als ware schatten: ‘In zijne studeerkamer ziet men in een hoek een eikenhouten kast staan […] een vermomde brandkast […]. Stapels aanteekeningen liggen daar opgehoopt’ [1].9

#

1
Aantekeningen en manuscript van Abraham Bredius voor ‘Archiefsprokkelingen’ over Cornelis Jansz. van Ceulen
Den Haag, RKD, Archief Abraham Bredius (0380), inv.nr. 880

‘Reizen, reizen […] óógen hebben om te zien...’10
Zo’n 95% van het Bredius-archief bij het RKD bestaat uit aantekeningen, het resultaat van zijn activiteiten als bronnenonderzoeker. Dat Bredius ook een kijker was die door het bestuderen van schilderijen zijn kennersblik ontwikkelde, blijkt duidelijk uit een bijzondere categorie notities. Het gaat om 46 kleine zakboekjes met aantekeningen uit de periode 1879-1904, stammende uit zijn jaren als onderdirecteur van het Nederlands Museum van Geschiedenis en Kunst (1880-1888) en als directeur van het Mauritshuis (1889-1909). Deze notitieboekjes zijn het tastbare bewijs van zijn motto: ‘Ziet u, een museum-directeur moet reizen! Véél, véél reizen. De musea moet hij kennen, met de kunsthandelaars niet alleen op goeden voet, maar vooral in contact staan […] ’t onontgonnen gebied nauwkeurig onderzoeken: de particuliere collecties! […] handig moet je dan zijn – op ’t goede moment je slag slaan om een representatief doek te bemachtigen. […] En dan niet te zuinig te zijn.’ 11 Tijdens het inventariseren werd duidelijk dat er zich, naast de boekjes in het archief, in het Mauritshuis nog een aantal aantekeningenboekjes bevond. In 1991, ten tijde van de voorbereidingen voor de tentoonstelling Bredius, Rembrandt en het Mauritshuis!!!, waren deze geschonken door de zoon van kunsthandelaar J.H.J. Mellaart, die Bredius goed gekend heeft.12 Inmiddels heeft het Mauritshuis deze elf boekjes uit de jaren 1879-1902 aan het RKD geschonken.

De notitieboekjes laten zien dat Bredius al lopende en kijkende aantekeningen maakte, oog-in-oog met de kunstwerken. Typerend zijn de spontane beschrijvingen, in (kleur)potlood en in een vlug handschrift: ‘een mooi brokje landschap’, ‘aller uitmuntendst stukje […] en lekker malsch gedaan’, ‘geschilderd als een Delftsche Vermeer’, ‘met breede vette toetsen […] heerlijk van melancholie en smartelijke uitdrukking’.13 Soms maakte hij een schetsje van een schilderij of kopieerde hij een familiewapen of een signatuur. Voorin staat meestal het jaartal vermeld; een volledige datum noteerde hij zelden. Dat in sommige boekjes, in een ander handschrift, staat geschreven ‘geboekt K.W.’ met een datum, duidt op een latere verwerking van de aantekeningen door een (nog niet geïdentificeerde) medewerker.

In de jaren waarin de boekjes zijn gebruikt, bezocht Bredius Londen en Parijs bijna jaarlijks. Zijn eerste zakboekje van een bezoek aan Londen dateert uit 1881, het eerste boekje van Parijs uit 1888. In Londen bezocht hij vaak de belangrijkste musea: het British Museum, South Kensington Museum en de Royal Academy. Namen van kunsthandelaren als P. & D. Colnaghi en Charles W. Dowdeswell komen regelmatig terug. Tot de privécollecties waarover Bredius aantekeningen maakte, behoren die van Thomas Humphry Ward, George Salting, Henry Joseph Pfungst, Lord Ellesmere, The Duke of Wellington en The Wallace Collection. In Parijs frequenteerde hij verzamelaars als George Edouard Warneck en Maurice Kann evenals kunsthandelaren Charles Sedelmeyer en de firma F. Kleinberger, bij wie Bredius in 1896 Het Puttertje van Carel Fabritius kocht.14 In Berlijn bezocht hij regelmatig Wilhelm Bode en de musea aldaar. Uit de aantekeningen, gemaakt in Berlijn, blijkt dat Bredius ook toegang had tot museumdepots en de belangrijke restaurator Alois Hauser had leren kennen, die hij ook opdrachten gaf om schilderijen uit de collectie van het Mauritshuis te restaureren.15 Bredius’ notitieboekjes staan verder vol met aantekeningen over verspreide collecties in tal van Duitse steden, collecties in Wenen en op verschillende locaties in Nederland en België.

Collecties in Polen, Galicië en Rusland
Een uitzonderlijke reis maakte Bredius in 1897 naar Oost-Europa, met als einddoel Sint-Petersburg. In zijn reisverslag, gedateerd Moskou, 3 juni 1897, noteerde hij dat hij al zeven onbekende Rembrandts had gezien, terwijl hij nog niet eens in Sint-Petersburg was aangekomen.16 In Polen bezocht hij collecties in Warschau en in paleis Zamoyska nabij Lublin. Daarna bestudeerde hij onder andere verzamelingen in Krakau en Lemberg in Galicië, waar ook het kasteel Dzikóv van Graaf Zdzislaw Tarnowski lag en het kasteel Podhorce van Prins Sanguszkov, stadhouder van Galicië, die een collectie van vijfhonderd schilderijen bezat. Op weg naar Sint-Petersburg deed Bredius ook nog Kiev en Moskou aan.17 Eén van de hoogtepunten van deze reis, zo blijkt uit zijn enthousiaste bewoordingen, was zijn bezoek – nadat de nodige introducties waren verkregen – aan bovengenoemd kasteel Dzikóv. Wilhelm Bode had Bredius verteld dat zich daar een schilderij bevond dat mogelijk van Rembrandt was, maar waarvan ook werd gezegd dat het van één van Rembrandts leerlingen zou zijn. Bredius’ verwachtingen waren dus niet al te hoog gespannen. In zijn zakboekje noteerde hij: ‘Het aan Rembrandt toegeschreven stuk – ruiter te paard (uit de coll. Van Koning Stanislaw Poniatowsky) Heerlijk echt!!’. Op drie volgende bladzijden beschrijft Bredius de voorstelling op het schilderij, voorzien van een schetsje van het gezicht van de ruiter, en sluit hij af met ‘alles heerlijk breed geschilderd [2].’18 Uit zijn reisverslag spreekt het Fingerspitzengefühl waarmee hij een echte Rembrandt in één oogopslag kon herkennen: ‘Dáár hing ’t stuk! Eén blik op ’t geheel, een onderzoek van enkele seconden naar de techniek waren maar noodig om mij in eens te overtuigen, dat hier in dit afgelegen oord sedert bijna 100 jaren een van Rembrandts grootste meesterstukken hing! […] Al mijne pogingen om ’t voor Holland te verwerven, leden schipbreuk. […] Wellicht echter zien wij het in 1898 op eene tentoonstelling van schilderijen van Rembrandt, te Amsterdam te houden: zoo half en half is mij de toezegging gedaan.’19 Inderdaad was De Poolse Ruiter, ongetwijfeld door bemiddeling van Bredius, het jaar daarop te zien op de grote Rembrandt-tentoonstelling in het Stedelijk Museum [3].20

Sideroff en Rembrandt
Eénmaal in Sint-Petersburg aangekomen, deed Bredius nog een spectaculaire vondst. Tijdens zijn bezoeken aan de (toenmalige Keizerlijke) Hermitage ontdekte hij ‘onder de oogen der Directeuren een echte Rembrandt, het mooie oude vrouwtje.’ Dit kleine paneeltje zag hij bij de restaurator Sideroff die in de Hermitage woonde en die toestemming had om in schilderijen te handelen.21 Bredius kocht Biddende vrouw (circa 1660), maar in de loop der jaren begon hij toch te twijfelen of het ‘een Rembrandt’ was en schreef het vanaf 1912 toe aan diens leerling Carel Fabritius.22 Bredius ging nog verschillende keren terug naar Sideroff, waar hij – bij hem thuis – werken zag van onder anderen Pieter Mulier (‘precies zoo’n zeestuk als het mijne’), Gerard de Lairesse, Gijsbert de Hondecoeter, Herman Saftleven, Joachim Wtewael, Philips Wouwerman en David Teniers. Overigens blijkt dat Bredius geen hoge pet op had van Sideroffs restauratiewerkzaamheden: ‘2 heerlijke late portretten van Rembrandt, datum onleesbaar […] zijn pas op geheel nieuw doek gebracht. Schandelijk gemaltraiteerd door Sideroff en zijn kladschilders.’ Bredius schreef erbij dat ze naar restaurator Hauser in Berlijn zouden moeten worden gestuurd, evenals een schilderij van Is[aak] van Ostade dat ‘zwaar bedorven’ was.23 In hetzelfde boekje komen ook aantekeningen en schetsjes voor van werken uit de collectie van Sergej Alexandrović Stroganoff, waaronder Titus als monnik van Rembrandt [5] en een portret van Rubens met zijn zoon [6].24

Bredius’ reis naar Rusland speelde zich af tijdens zijn directeurschap van het Mauritshuis, dus eventuele correspondentie met verzamelaars uit Polen en Rusland bevindt zich in dit museumarchief. In het archief bij het RKD bevindt zich wel een cahier (uit circa 1913), geschreven door de verzamelaar Pyotr Semenov-Tyan-Shansky, waarin deze de werken van Hollandse en Vlaamse meesters in zijn collectie beschrijft. Bredius bezocht de Semenov-collectie, opgenomen in de Hermitage, op 9 en 27 augustus 1897.25 In bovengenoemd cahier vermeldde Semenov ook zijn recente aanwinsten (via kunsthandel Frederik Muller & Co) en feliciteerde hij Bredius met diens recente aankoop van een schilderij van Salomon van Ruysdael.26 De enige brief van een Russische verzamelaar die in het archief voorkomt, is van Paul Delaroff, wiens collectie Bredius in 1897 had bezocht. In 1908 en 1909 waren bruiklenen uit de Delaroff-collectie te zien in het Mauritshuis en in Museum de Lakenhal. In bovengenoemde brief uit 1912 stuurde hij Bredius een foto toe (die thans helaas ontbreekt) van een schilderij, waarvan hij vermoedde dat het een vroege Rembrandt was. Afhankelijk van Bredius’ oordeel, zou hij het goedkoop kunnen verwerven voor het museum in Leiden.27

Conclusie
Het archief dat Bredius aan het RKD heeft gelegateerd is een weerslag van zowel zijn decennialange archiefonderzoek als van zijn expertise op het gebied van zeventiende-eeuwse Hollandse meesters. Bredius bouwde gestaag aan zijn internationale netwerk waartoe de belangrijkste kunsthandelaren behoorden en bezat de juiste connecties om toegang te krijgen tot de meest prominente verzamelaars: van industriëlen en bankiers tot graven en prinsen. Ook zorgden zijn hechte banden met museumdirecteuren en met kunsthandelaren ervoor dat hij belangrijke bruiklenen uit buitenlandse collecties voor het Mauritshuis en andere musea kon bemachtigen of interessante werken kon kopen. Met name uit zijn notitieboekjes blijkt hoeveel reizen hij ondernam om buitenlandse collecties te bestuderen en zo zijn kennis en zijn kennersoog steeds verder ontwikkelde. Omdat deze categorie aantekeningen een levendig beeld geeft van talloze interessante (privé)collecties en van de kunsthandel, verdienen deze zeker nog nader onderzoek. Na Bredius’ aftreden als directeur van het Mauritshuis in 1909 ging hij energiek door als onderzoeker, auteur, verzamelaar, expert en mecenas. Op tachtigjarige leeftijd verscheen zijn publicatie Rembrandt schilderijen. 630 afbeeldingen. Het leven en werk van Rembrandt was het heerlijke hoofddoel van zijn leven geworden, aldus Bredius in zijn voorwoord.28

#

2
Uit het aantekeningenboekje van 1897 van Abraham Bredius, beschrijving van De Poolse Ruiter van Rembrandt uit de collectie van Graaf Tarnowski op kasteel Dzikóv in Galicië
Den Haag, RKD, Archief Abraham Bredius (0380), inv.nr. 1060

3
Rembrandt
De Poolse Ruiter ca. 1655
olieverf op doek 116,8 x 134,9 cm
New York City, The Frick Collection, inv./cat.nr 1910.1.98

#

4
Uit het aantekeningenboekje van 1897 van Abraham Bredius, detailschetsjes van schilderijen van Rembrandt en Rubens uit de collectie van Graaf Sergej Alexandrović Stroganoff te Sint-Petersburg
Den Haag, Archief Abraham Bredius (0380), inv.nr. 1058

5
Rembrandt
Titus als monnik 1660
olieverf op doek 79,5 x 67,7 cm
Amsterdam, Rijksmuseum, inv./cat.nr. SK-A-3138

6
Anoniem (Zuidelijke Nederlanden) naar Peter Paul Rubens
Portret van Peter Paul Rubens (1577-1640) en zijn zoon na 1623
olieverf op doek 129 x 109 cm
Sint Petersburg, Hermitage, inv./cat.nr 7728


Noten

1 Den Haag, RKD ̶ Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD), Archief Abraham Bredius (0380) (AAB). De inventaris zal binnenkort in RKDarchives gepubliceerd worden. Zie voor legaat en aanvullende schenkingen: RKD-jaarverslagen 1944-1945, p. 4; 1946, pp. 4-5; 1953, p. 4. In 1992 werden archiefstukken gekocht op een veiling en werden twee schenkingen gedaan. Zie tevens: J. Kosten, ‘”Nieuwe” archiefaantekeningen van dr. Abraham Bredius’, RKD Bulletin (2015) nr. 2, pp. 3-8. Voor Bredius’ biografie zie L. Barnouw-de Ranitz, ‘Abraham Bredius, een biografie’ in: Museum Bredius. Catalogus van de schilderijen en tekeningen, Zwolle 1991 (derde druk), pp. 12-27.

2 J. Gram, ‘Dr. Abraham Bredius’, overdruk uit Het Leeskabinet, [plaats onbekend] februari 1899, pp. 6-8. In zijn eerste publicatie (in De Nederlandsche Spectator, januari 1879) beschreef Bredius zijn reis met Fischer.

3 Ibidem, p. 9. Voor correspondentie met Bode uit 1884 en 1900-1913, zie RKD, AAB, inv.nr. 1129.

4 V. de Stuers, ‘Holland op zijn smalst’ in: De Gids november 1873, pp. 320-403.

5 R.E.O. Ekkart, ‘Grondleggers van het kunsthistorisch apparaat’ in: P. Hecht, A. Hoogenboom en C. Stolwijk (red.), Kunstgeschiedenis in Nederland. Negen opstellen, Amsterdam 1998, pp. 9-24. Ekkart noemt Frederik Obreen als eerste kunsthistorische onderzoeker.

6 M. Spliethoff, J. Hoogsteder en R. Soetenhorst, ‘In de voetsporen van Abraham Bredius’ in: The Hoogsteder Journal, (2001) nr. 8, p. 7. Bredius leerde paleografie om oude handschriften te kunnen lezen. RKD, AAB, inv.nr. 1008: uit Bredius’ manuscript blijkt dat hij boedelinventarissen maar sporadisch aantrof.

7 C. Harms Tiepen, Interviews met merkwaardige personen van onzen tijd. Dr. A. Bredius over schilderijen-onderzoek en museumbeheer, Amsterdam 1913, p. 37: ‘[…] door vergelijk van de handteekeningen […] uitmaakte dat een doek, altijd aan Frans Hals toegeschreven, van Harmen Hals was.’

8 Zie Dr. Abraham Bredius 1855-1925. Album hem aangeboden op 18 april 1925. Amsterdam 1925, pp. 47-69, voor een overzicht van Bredius’ publicaties. Voor zijn publicaties vanaf 1925 zie: M. de Boer en J. Leistra, Bredius, Rembrandt en het Mauritshuis!!!, tent.cat., Den Haag (Mauritshuis) 1991, pp. 112-114.

9 Gram 1899 (noot 2), p. 13.

10 Harms Tiepen 1913 (noot 7), p. 35.

11 Ibidem, pp. 43-44. De reisjournaals en dagboeken, genoemd in Dr. Abraham Bredius 1855-1925 (noot 8), p.19, behoren niet tot de archivalia bij het RKD, evenmin als zijn schetsboeken, vermeld in Gram 1899 (noot 1), p. 8.

12 Correspondentie met J.H.J. Mellaart uit 1918-1919 en 1922-1924 bevindt zich in RKD, AAB, inv.nr. 1113. Zie voor de schenking van de notitieboekjes: M. de Boer ‘Reisaantekeningen van Bredius cadeau’ in: Mauritshuis Nieuwsbrief (1991) nr. 4, p. 6.

13 RKD, AAB, inv.nr. 1055.

14 De Boer en Leistra, p. 42. RKD, AAB, inv.nr. 1054. Opmerkelijk genoeg noteerde Bredius Het Puttertje niet in zijn notitieboekje van 1896.

15 RKD, AAB, inv.nr. 1056. Zie voor Hauser: De Boer en Leistra 1991 (noot 8), pp. 21, 34, 50.

16 A. Bredius, ‘Onbekende Rembrandts in Polen, Galicië en Rusland’ in: De Nederlandsche Spectator (1897) nr 25, pp. 1-9.

17 Ibidem, p. 7. Notitieboekjes van Bredius’ verblijf in Moskou ontbreken, maar uit zijn reisverslag blijkt dat hij twee Rembrandts heeft gezien – beiden zwaar geretoucheerd – in Museum Roumiantsov.

18 RKD, AAB, inv.nr. 1060.

19 Bredius 1897 (noot 16), p. 4.

20 Rembrandt. Schilderijen bijeengebracht er gelegenheid van de inhuldiging van Hare Majesteit Koningin Wilhelmina, tent.cat. Amsterdam (Stedelijk Museum) 1898, cat.nr. 94 (van de 123): Portret van een Poolsch ruiter in de dracht van het regiment van Lysowsky, in een landschap. Henry Clay Frick kocht het schilderij in 1910; The Frick Collection, New York, inv.nr. 1910.1.98.

21 Gram 1899 (noot 1), p. 12. Voor Sideroff, zie RKD, AAB, inv.nr. 1058.

22 De huidige toeschrijving luidt: ‘omgeving van Rembrandt’; sinds 1946 collectie Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, Den Haag, inv.nr. 610.

23 RKD, AAB, inv.nr. 1058. ‘Alle 2 Hauser’ en ‘zeggen Rembr. n. Hauser sturen’, aldus noteerde Bredius.

24 Rembrandt, Titus als monnik (1660); sinds 1933 collectie Rijksmuseum, inv.nr. SK-A-3138. Anoniem (Zuidelijke Nederlanden), Portret van Peter Paul Rubens en zijn zoon; sinds 1932 collectie Hermitage, inv.nr. 7728.

25 RKD, AAB, inv.nr. 1060 en 1061. Zie tevens I. Sokolova, Russian passion for Dutch painting of the Golden Age. The collection of Pyotr Semenov and the art market in St Peterburg, 1860-1910, Leiden/Boston 2015, p. 1. Op galerie Liechtenstein in Wenen na, was dit de rijkste Europese privécollectie van de Hollandse en Vlaamse school met 617 originele werken.

26 Ibidem, inv.nr. 1003. Zie De Boer en Leistra 1991 (noot 8), pp. 90-91 voor Bredius’ aankoop uit 1911: Riviergezicht van Salomon van Ruysdael; sinds 1946 collectie Koninklijk Kabinet van Schilderijen Mauritshuis, Den Haag, inv.nr. 738.

27 Ibidem, inv.nr. 1055 en 1120. Voor Paul Delaroff, zie Sokolova 2015 (noot 25), pp. 82-85.

28 A. Bredius, Rembrandt schilderijen. 630 afbeeldingen, Utrecht/Wenen, 1935. Ofschoon sinds de start van het Rembrandt Research Project in 1968 veel van Bredius’ toeschrijvingen achterhaald blijken, is zijn publicatie jarenlang het standaardwerk geweest. Zie tevens www.rembrandtdatabase.org.

Cookie melding

Ik ga akkoord Tijdens het surfen op het internet worden uw voorkeuren onthouden door middel van cookies.Cookies zijn kleine tekstbestanden die door een internetpagina op een pc, tablet of mobiele telefoon worden geplaatst.Cookies worden gebruikt om uw gebruikerservaring te verbeteren door het anoniem monitoren van webbezoek, het delen van informatie op social media mogelijk te maken, de effectiviteit van online marketingcampagnes temeten en om online advertenties aan te passen aan uw interesses.Door te surfen op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.