2020

RKD BULLETIN

De verre toekomst van Frits Lugt

Edward Grasman

Iedere bezoeker van het RKD loopt langs een plaquette, waarop de drie stichters van deze instelling genoemd staan. Frits Lugt is een van dat drietal [1]. Hij leefde van 1884 tot 1970 en verwierf faam als kenner en kunstverzamelaar. Ten behoeve van die beide hoedanigheden legde Lugt een enorme, aldoor groeiende collectie boeken, veilingcatalogi en reproducties aan. Stichter van het RKD werd hij, toen hij deze collectie in de vroege jaren dertig onderbracht bij wat het RKD zou worden. Gedurende de vier decennia van het bestaan van deze instelling die hijzelf meemaakte, bleef hij het RKD van boeken, veilingcatalogi en reproducties voorzien. Centraal in de volgende tekst staat de vraag naar Lugts beweegredenen voor dit handelen, dat zoveel heeft bijgedragen aan de vorm en de reputatie die het RKD heeft verworven.

Jan van Gelder, in de oorlog en gedurende korte tijd erna directeur van het RKD, besloot zijn levensbericht van Lugt in 1970 met de veronderstelling dat deze slechts zijn vrouw To Klever en Rembrandt toegang had verleend tot het diepste van zijn ziel.1 Waarschijnlijk was het daarom dat Van Gelder zelfs niet poogde te verklaren, waarom Lugt al in 1930 de beslissing nam, vele jaren vóór zijn dood dus, om bezittingen te schenken of in bruikleen te geven aan de staat. Over Lugts motieven tot dit optreden worden we evenmin erg geholpen door Heijbroeks biografie, waarin nooit een karakterschets van Lugt beproefd is. Toch meen ik, dat Heijbroek bouwstenen aandraagt waarmee, in combinatie met documenten uit het RKD-archief, een poging in deze richting gewaagd kan worden. Zo citeert hij uit een brief van Lugt die mij in deze context significant voorkomt. De brief in kwestie dateert van 23 februari 1922 en Lugt schreef hem uit Florence aan de architect Dirk Slothouwer.2

De aanleiding tot de brief werd gevormd door een bezoek van Lugt en zijn vrouw aan Casa Horne in Florence, waarin de kunstcollecties van Herbert Horne waren en zijn ondergebracht. Kort voor zijn dood in 1916 had Horne het stadspaleis laten restaureren in de staat waarin het gedurende de Renaissance zou hebben verkeerd. Nadat Casa Horne in 1921 haar deuren had geopend, vijf jaar na Horne’s dood en slechts één jaar vóór het bezoek van het echtpaar Lugt, bleven de collecties ongewijzigd. Blijkens het commentaar van Lugt uit 1922 trof het hem en zijn vrouw toen al, dat Horne’s verzamelingen tot een droevige stilstand waren gekomen: ‘Wij, die naarmate ons kunst- en boekenbezit in Maartensdijk tot een geheel groeit, ons ook wel eens afvragen, of wij een redelijke verplichting hebben om te zorgen, dat het met veel moeite bijeengebrachte in de verre toekomst [cursivering auteur] aldus bewaard blijft, sloegen dit alles met weemoed gade. Neen, in dezen vorm, hoe goed ook bedoeld, wordt het bewaren een begraven in plaats van een voortleven. […] Het klinkt zoo mooi, zijn verzameling blijvend ter beschikking stellen van het algemeen. Maar als zij tegelijk een groot deel van haar levenskracht en warmte inboet? Waar blijft dan de uitwerking? […] Het is een moeilijk vraagstuk, waarvan de oplossing ons wel eens meer zal bezighouden.’3

#

1
Paul Mathey
Portret van Frits Lugt ca. 1923
potlood op papier, 290 x 245 mm
Parijs, Fondation Custodia

Heijbroek citeert deze brief zonder commentaar, maar Hennus, die in 1950 een profiel van Lugt geschreven had en dezelfde brief aanhaalde, verbond die aan de stichting van de Fondation Custodia.4 Deze stichting lag in 1922 een kwart eeuw weg en bevond zich dus inderdaad nog in de verre toekomst. Ik zou echter denken, dat de schenking uit 1930 uit diezelfde behoefte voortkwam, de behoefte ervoor te zorgen dat wat met zoveel moeite en zorg verzameld was, niet tot iets doods zou verworden.

Schenkingen aan de staat
Op 7 april 1926 schonk Hofstede de Groot zijn wetenschappelijke nalatenschap aan de staat, onder voorwaarde dat die voor kunsthistorisch onderzoek toegankelijk gesteld en op dezelfde wijze voortgezet zou worden. Het beheer van zijn verzamelingen moest toevertrouwd worden aan een kunsthistoricus die zich gespecialiseerd had in de Nederlandse schilderkunst.5 Toen Hofstede de Groot op 14 april 1930 onverwacht overleed, stond de staat, die de schenking op 8 juli 1926 had aanvaard, plotseling voor het probleem, wat met zijn nalatenschap te doen. Het lijkt erop dat Lugt in deze schenking een uitgelezen kans zag om ook zijn verzamelingen een toekomst te bieden. Hij zal verondersteld hebben dat hij door de samenvoeging van zijn collecties met die van Hofstede de Groot, kon profiteren van de verplichting die de overheid op zich had genomen om het documentatiemateriaal van Hofstede de Groot adequaat bij te doen houden. Het heeft echter enige tijd in beslag genomen vooraleer Lugt bepaald had, welk deel van zijn verzamelingen hij aan de staat zou overdragen en hoe hij dat zou doen.

De Commissie voor Iconographische Documentatie, die in 1929 opgericht was en die onder voorzitterschap stond van Robert Fruin, had de taak aan zich getrokken een antwoord te vinden op de vraag, hoe de nalatenschap van Hofstede de Groot optimaal benut kon worden. In Fruins rapport van 31 mei 1930 werd de oprichting bepleit van een centraal documentatiecentrum waarin naast de verzamelingen van Hofstede de Groot ook enkele andere collecties een plaats zouden krijgen. De commissie dacht daarbij onder meer ‘aan de unieke verzameling catalogi en aanteekeningen over prentkunst van F. Lugt’.6 Het lijkt waarschijnlijk dat met die catalogi gedoeld werd op de collectie veilingcatalogi die Lugt in 1931 aan de staat zou schenken, 20.000 in totaal. Als de rapporteur goed geïnformeerd was echter, moet Lugt in mei 1930 daarnaast nog slechts gedacht hebben aan de schenking van zijn aantekeningen over de prentkunst en dus niet aan het reproductiemateriaal dat hij in 1931 in bruikleen zou geven en een jaar later zou schenken en evenmin aan de boekerij, die hij, ook in 1931, in bruikleen zou geven.7

Het rapport meldde dat Hans Schneider de man was die Hofstede de Groot had geviseerd als de kunsthistoricus die zijn nalatenschap zou beheren. Het ligt voor de hand te denken dat het Schneiders profiel was dat het commissierapport tekende, toen het de toekomstige beheerder aldus typeerde: ‘De leider van het documentatiebureau behoort juist zich te gevoelen als de dienende geest, die het materiaal verzamelt en bewerkt, opdat de mannen van de practijk en wetenschap daarmede hun voordeel kunnen doen.’8

Lugt heeft zich aan de zijde geschaard van degenen die niet wilden dat de schenking van Hofstede de Groot in het Rijksmuseum ondergebracht werd. Vermoedelijk speelde bij hem hetzelfde argument mee, dat Van Gelder in 1941 aan zou voeren tegen de verhuizing van het RKD naar Amsterdam. Van Gelder vreesde dat het RKD dan dezelfde toekomst tegemoet ging als het documentatiemateriaal van Frederik Muller en dat van Moes, ooit beide aan het Rijksmuseum geschonken, maar daar sindsdien onaangeroerd.9 Zij vormden er dus twee dode elementen en precies dat wilde Lugt met de overdracht van zijn collecties vermijden.

In de periode waarin Lugt en zijn vrouw tegenover Slothouwer de verzuchting omtrent hun verzamelingen slaakten, in 1922, voelden zij weliswaar al het probleem van de toekomstige huisvesting van hun collecties, maar vooralsnog waren zij niet bezig met de oplossing daarvan. Integendeel, want juist in die jaren was Slothouwer doende een modern-rustiek landhuis voor het echtpaar te bouwen, achter het kapitale pand op Rustenhoven in Maartensdijk dat vader Klever drie jaar tevoren, in 1919, had gekocht [2].10 Tussen 1926 en 1927 zou het echtpaar Lugt hun landhuis nog verder uitbreiden, opdat er ruimte kwam voor de aldoor groeiende kunstcollectie. Toch had Lugt al wel de behoefte om die collectie publiek te maken. Zo stond hij vanaf 1925 regelmatig bruiklenen af voor tentoonstellingen, hoe sceptisch hij zich ook uitliet over de luchthartige manier waarop die georganiseerd konden zijn.11

Verhuizing uit Maartensdijk
Uit een brief van Lugt aan Schneider van 8 september 1931 blijkt dat zijn vrouw en hij al in november 1930, amper drie jaar na de uitbreidingen van hun landhuis, het plan op hadden gevat om Maartensdijk weer te verlaten. Uit dezelfde brief blijkt, dat Schneider al eerder van dit voornemen op de hoogte was gesteld.12 Gebeurde dat op 23 maart 1931 tijdens een overleg bij het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschap (OKW) over een centraal documentatiecentrum waarvoor behalve Lugt en Schneider ook Eeltjo van Beresteyn uitgenodigd was, naast Hofstede de Groot en Lugt de derde op de eerder genoemde plaquette.13 Het voornemen om uit Maartensdijk weg te gaan, was echter steeds opgeschort, aldus Lugt, ‘ter wille van mijn schoonouders’. De oorzaak van het uitstel zal gelegen hebben in het wankele huwelijk van die schoonouders. In de jaren twintig had vader Klever op Rustenhoven gewoond, maar zijn vrouw verbleef vooral in Glion. In de loop van 1931 kwam ook hij echter zelden in Maartensdijk, daar hij veelal in Wenen vertoefde, in het gezelschap van zijn nieuwe partner Martha Schmidt. In de afwezigheid van haar vader betrok Lugts eega met de kinderen tijdelijk het oude huis in Maartensdijk, met Lugts vader en diens tweede vrouw Maria als trouwe logés. De echtscheiding van haar ouders moet eind oktober 1931 uitgesproken zijn, maar blijkbaar had het echtpaar Lugt een jaar voordien al besloten om Rustenhoven te zullen verlaten.14

#

2
D.F. Slothouwer
Landhuis, Aanlegsteeg 4, Maartendijk

In zijn brief van 8 september 1931 aan Schneider meldde Lugt dat het plan om te verhuizen inmiddels zo concreet geworden was, dat er mogelijk spoedig onderdak gevonden moest worden voor zijn bibliotheek. Uit de brief blijkt teleurstelling over het optreden van de overheid. Zelfs voelde Lugt weinig meer voor wat hij kennelijk aangeboden had: de schenking van de veilingcatalogi en reproducties. Wat kan hij van de overheid verwacht hebben? Een geschikte huisvesting voor de collecties? Blijkbaar was het probleem zestien dagen later al opgelost, want toen ging Lugt toch over tot schenking van zijn veilingcatalogi en reproducties en meteen ook tot het in bruikleen geven van zijn boekerij.15 Dat laatste was in zijn brief van 8 september al aangekondigd: ‘Maar liever dan de boeken langen tijd ingepakt te laten, zou ik ze nut zien afwerpen, en dat zou toch wel het best geschieden onder Uw beheer, in verband met Hofstede de Groot’s legaat.’16

Op 28 september 1931 liet het Ministerie van OKW Lugt weten zowel schenking als bruikleen dankbaar te aanvaarden en beloofde het medewerking aan het herbergen van zijn tekeningen- en prentenverzameling, die tijdelijk in Haagse kluizen zou worden ondergebracht.17 Tijdelijk inderdaad, maar het lijkt dat een gretiger overheid ook die verzameling blijvend voor het vaderland had kunnen behouden. Aangezien het Louvre, waarmee Lugt in onderhandeling was getreden, kennelijk ook niet over brug kwam, besloot hij uiteindelijk, in 1947, tot de oprichting van de Fondation Custodia.

Half oktober 1931 begonnen de voorbereidingen voor Lugts verhuizing naar Den Haag. Nadien heeft zijn gezin nooit meer voor langere tijd samengewoond. De jongste dochter verhuisde mee met haar ouders, maar het contact met de drie oudste, nog levende kinderen vond sindsdien vooral in vakanties plaats. In februari 1932 liet het echtpaar Lugt zich zelfs uit Nederland uitschrijven.18 We moeten vermoeden, dat Lugts verhuizing uit Maartensdijk mede gemotiveerd werd door de bemoeienis van de overheid met de nalatenschap van Hofstede de Groot en dat hij voor lief nam dat deze beslissing ingrijpende gevolgen zou hebben voor zijn gezinsleven.

Het overlijden van Huib Lugt
Een familieman kunnen we Lugt bezwaarlijk noemen [3]. In de periode dat het gezin in Maartensdijk woonde, tot oktober 1931, zagen zijn kinderen hem op doordeweekse dagen alleen bij het avondeten en soms ging hij tegen de zin van het gezin voor zijn werkzaamheden op reis, ook wekenlang. Hij lijkt echter een bijzondere band gehad te hebben met zijn jongste zoon Huib, die leed aan wat later spierdystrofie bleek te zijn. Zo verbleven vader en zoon in september 1928, buiten de schoolvakantie, gedurende een tiental dagen in Wolfheze, in de hoop dat een verblijf in de natuur de jongen goed zou doen en eind 1929 maakten zij samen een bijzondere entree in de Utrechtse schouwburg toen Lugt zijn zoon, die zelf niet meer lopen kon, over de schouder de zaal indroeg.19

Begin 1931 kreeg Huib de mazelen en door zijn aandoening zoveel kwetsbaarder, stierf hij op 18 januari, een week na zijn zeventiende verjaardag. Bij de uitvaart sprak Lugt, aldus het dagboek dat zijn vader bijhield, ‘roerende, maar toch ook opbeurende woorden, getuigende van dankbaarheid voor het korte bezit van hun kind, een bezit waaraan zij zooveel te danken hebben door hetgeen zij van hem geleerd hebben in de voortdurende zorg, die hij vereischte; een heerlijke taak overigens, met vreugde vervuld. In treffende woorden schetste hij’, zo ging Lugts vader verder, ‘de zending die Huib blijkbaar in zijn korte bestaan was opgelegd; een zending die nu vervuld was, zoodat zijn ouders hem thans in vollen vrede aan hoogere bestemming konden afstaan.’20 Moeten we eraan twijfelen, dat althans ook deze zoon toegang kreeg tot Lugts diepste ziel?

Negen maanden na Huibs overlijden viel het gezin Lugt uit elkaar. Kennelijk was deze jongen de verbindende figuur binnen het gezin geweest. Al vóór zijn heengaan had het echtpaar Lugt besloten te zullen verhuizen, maar nu de zorg voor Huib was weggevallen, geraakte de uitvoering van die plannen in een stroomversnelling. Het is mede aan die voor het gezin Lugt zo ingrijpende manoeuvre, dat het RKD haar ontstaan dankt.

#

3
Anoniem
Het gezin Lugt op 20 maart 1926, met Huib in een rolstoel


Noten

1 J.G. van Gelder, ‘Frits Lugt’, The Burlington Magazine 112 (1970), pp. 762-763.

2 J.F. Heijbroek, Frits Lugt 1884-1970. Leven voor de kunst. Biografie, Bussum/Parijs 2010, pp. 151-153.

3 Ibidem.

4 M.F. Hennus, ‘Frits Lugt. Kunstvorser – kunstkeurder – kunstgaarder’, Maandblad voor Beeldende Kunsten 26 (1950), pp. 109-114 en 130-131

5 Brieven Cornelis Hofstede de Groot en Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW), d.d. 9 april en 8 juli 1926, Den Haag, RKD ̶ Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD), Archief RKD 1932-1975 (0328) (RKD 1932-1975), inv.nr. 159, omslag A 1932.

6 R. Fruin, namens de Nederlandsche Commissie voor Ikonografische Documentatie, Rapport Commissie Fruin, d.d. 31-05-1930, ibidem.

7 Brieven F. Lugt en H. Schneider, d.d. 08-09-1931, 10-09-1931, 13-10-1931, 10-07-1932 en 12-07-1932; brieven H. Schneider en Minister van OKW, d.d. 24-09-1931 en 13-10-1931; brieven F. Lugt en Minister van OKW, d.d. 28-09-1931, 13-10-1931, 02-12-1932, 09-12-1932 en 14-12-1932; brief Minister van OKW aan Minister van Financiën, d.d. 28-09-1931, ibidem.

8 Rapport Commissie Fruin (noot 6).

9 J.G. van Gelder, ongedateerd schrijven [uit 1941], onderwerp: verplaatsing Rijksbureau, RKD, RKD 1932-1975, inv.nr. 163, omslag A 1941.

10 Heijbroek 2010 (noot 2), p. 188.

11 Ibidem, p. 202.

12 Brieven F. Lugt en H. Schneider, d.d. 08-09-1931, RKD, RKD 1932-1975, inv.nr. 159, omslag A 1932.

13 Brief Minister van OKW aan H. Schneider, d.d. 23-03-1931, ibidem.

14 Heijbroek 2010 (noot 2), p. 225.

15 Brief F. Lugt aan Minister van OKW, d.d. 24-09-1931, RKD, RKD 1932-1975, inv.nr. 159, omslag A 1932.

16 Brief F. Lugt aan H. Schneider, d.d. 08-09-1931, ibidem.

17 Brief Minister van OKW aan F. Lugt, d.d. 28-09-1931, ibidem.

18 Heijbroek 2010 (noot 2), p. 232.

19 Ibidem, p. 219.

20 Ibidem, p. 224.

Cookie melding

Ik ga akkoord Tijdens het surfen op het internet worden uw voorkeuren onthouden door middel van cookies.Cookies zijn kleine tekstbestanden die door een internetpagina op een pc, tablet of mobiele telefoon worden geplaatst.Cookies worden gebruikt om uw gebruikerservaring te verbeteren door het anoniem monitoren van webbezoek, het delen van informatie op social media mogelijk te maken, de effectiviteit van online marketingcampagnes temeten en om online advertenties aan te passen aan uw interesses.Door te surfen op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.