2020

RKD BULLETIN

Hans Schneider en de veilingcatalogi van David Reiling

Ruth Kaloena Krul

In 1938 kreeg Hans Schneider (Bazel 1888-1953), directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), een interessante tip van een kunsthandelaar uit München: een collega uit Mainz had al enige tijd tevergeefs geprobeerd om zijn zeer omvangrijke bezit aan veilingcatalogi te verkopen. Schneider was voor de bibliotheek van het RKD steeds op zoek naar zulke catalogi en nam in mei van dat jaar contact op met de betreffende kunsthandel. Dit was de Kunst- und Antiquitätenhandel David Reiling, Hofantiquar, die aan de Flachsmarkt in het oude centrum van Mainz was gevestigd. De zaak werd al sinds meer dan veertig jaar gedreven door de beide zoons van David Reiling (1833-1889), Hermann en Isidor, die de curieuze gewoonte hadden om hun zakenbrieven ook na zo lange tijd consequent met de naam van hun vader te ondertekenen.1 Op dat eerste contact met de Reilings volgde een briefwisseling tussen Schneider en de jongste van de beide broers, Isidor [1], die meer dan een jaar duurde en als in een microkosmos de tijdsomstandigheden weerspiegelde.2

Isidor Reiling schreef Schneider dat hij de verzameling catalogi wilde verkopen, omdat hij doende was de kunsthandel te liquideren. Schneider gaf er de voorkeur aan om ter plaatse met Reiling over de aankoop te onderhandelen, nadat hij zich een eigen indruk van de collectie had kunnen vormen met behulp van de cartotheek die de Mainzer bereidwillig naar Den Haag had opgestuurd. Al in de zomer van 1938, toen Schneider naar Zwitserland reisde om daar als gewoonlijk enkele vakantieweken door te brengen, maakte hij daarom een omweg over Mainz om er eerste besprekingen te voeren.3 Eenmaal ter plaatse moet hij snel begrepen hebben dat de reden van de liquidatie van de kunsthandel niet de leeftijd van de beide Reilings was, maar de toenemende verscherping van de anti-Joodse wetgeving die het hun onmogelijk maakte om de zaak voort te zetten.

#

1
Anoniem
Isidor Reiling met zijn dochter Netty Radványi ca. 1930
Akademie der Künste, Berlin, Anna-Seghers-Archiv, Fotokartei 63A
Foto: copyright Anne Radvanyi

Een volgend werkbezoek aan Reiling stond enige tijd op losse schroeven in verband met de onzekere politieke situatie in Europa. Hitler dreigde met een gewapende overval op het Sudetenland en uitvoering van dit plan zou dat jaar al tot het uitbreken van oorlog geleid hebben. Pas toen die situatie ontspande door totstandkoming van het ‘Verdrag van München’ op 30 september 1938, waarbij de Engelsen en Fransen instemden met de inlijving van het Sudetenland bij het Duitse Rijk, kon Schneider de kunsthandelaar een toezegging doen. Voordat hij Reiling die herfst bezocht, ontving hij een brief van hem met het verzoek om te laten weten op welke dag hij zou komen, omdat de kunsthandel in oktober tijdens een aantal Joodse feestdagen gesloten zou zijn.4 Eind van die maand reisde Schneider vanuit Den Haag naar het Congres van het Internationale Museumverband in Kassel en ging op de terugweg ook langs Mainz [2]. Zijn eerstvolgende brief na dat bezoek refereerde – gecodeerd – aan een bijzondere afspraak die hij met Reiling had gemaakt: hij had beloofd om ook de handbibliotheek van de kunsthandel, een collectie kunsthistorische vakboeken, in Den Haag in ontvangst te nemen en deze door te sturen naar Reilings dochter Netty die al in 1933 met haar gezin naar Parijs was gevlucht.5

#

2
Kunsthandel Reiling, Flachsmarkt nr. 2 (met hakenkruisvlaggen op verdieping) en nr. 4 (met gesloten rouleaus), Mainz 1939
Mainz, Stadtarchiv, inv.nr. Bpsf / 21154 a
Foto: copyright Stadtarchiv Mainz

Reilings dochter
Netty Radványi-Reiling was het enige kind van Isidor en Hedwig Reiling. Zij had in Keulen en Heidelberg sinologie en kunstgeschiedenis gestudeerd en was in 1924 bij Carl Neumann gepromoveerd, maar niet met de bedoeling om de kunsthandel over te nemen. Zij had een andere weg gekozen en inmiddels bekendheid verworven als politiek geëngageerd schrijfster onder het pseudoniem Anna Seghers. Vanuit Parijs had zij nog wel met haar ouders kunnen corresponderen, maar dat betekende niet, dat haar vader haar zelf van zijn bedoeling om haar zijn boeken te schenken op de hoogte had kunnen brengen.6 Daar waren Schneider en Reiling, die in hun brieven in bedekte termen schreven over ‘de onzekerheid van de politieke situatie in de wereld’ en ‘duistere wolken boven Europa’, het zonder meer over eens. Van briefgeheim was in Duitsland al lang geen sprake meer en zij formuleerden daarom omzichtig. Schneider verzocht Reiling om een nauwkeurige lijst van de boeken die hij tot de handbibliotheek rekende met het oog op de ‘door hem gevonden mede-interessent in Frankrijk’: hij suggereerde een tweede koper.7 Hij schreef ook dat hij onlangs foto’s cadeau gekregen had van schilderijen uit de collectie van de Mainzer verzamelaar Rudolf Busch, ooit een cliënt van Reiling, en vroeg of er een gedrukte veiling- of collectiecatalogus bestond en of de kunsthandelaar hem daaraan kon helpen. De catalogus van de verzameling Busch bevindt zich tegenwoordig inderdaad in de bibliotheek van het RKD.8

Schneider was weliswaar graag bereid om de Reilings behulpzaam te zijn bij de verzending van de handbibliotheek, maar hij bleef strikt zakelijk waar het om de aankoop van de catalogi ging. Hij kon en wilde als directeur van het RKD uiteindelijk niet meer dan ongeveer een derde tot maximaal de helft van alle catalogi overnemen en dat beslist niet – ook na overleg met Frits Lugt – voor de door Reiling in eerste instantie voorgestelde prijs van 3000 rijksmark. Ten slotte werd hij het met de kunsthandelaar eens over een koopprijs van 1000 gulden voor het deel dat hij wilde hebben, en hij beloofde om er voor te zorgen dat de overblijvende catalogi in Nederland geveild zouden worden.9 Begin november 1938 liet Reiling hem weten dat zowel de Reichsbank als de douaneautoriteiten toestemming hadden gegeven voor de transactie. De catalogi en boeken zouden over enkele dagen ingepakt en per stoomboot naar Den Haag verstuurd worden: er leek schot in de zaak te komen.10

De eerste brief van Schneider aan Netty Radványi waarin hij haar op de hoogte bracht van haar vaders wens en haar dringend verzocht om de kwestie in haar brieven aan Reiling niet ter sprake te brengen, dateert van zeven november, twee dagen voor de gebeurtenissen van de Rijkskristalnacht. Ook Reilings kunsthandel en zijn woning werden die nacht aangevallen, maar de omvang van de schade is niet gedocumenteerd. De Reilings zelf bleven voor zover bekend ongedeerd. Hun synagoge aan de Flachsmarktstraße werd volledig vernield. Netty antwoordde Schneider de dag na de Rijkskristalnacht met een brief waarin zij hem hartelijk bedankte en inging op zijn vragen en suggesties met betrekking tot de haar toegedachte boeken.11 Wist zij op dat moment nog niet wat er in Duitsland was gebeurd? Schneider antwoordde haar vier dagen later: ‘Es scheint mir, dass es bei den jetzigen Zeitläuften nur gut sein kann noch alles an Sachwerten herauszubekommen, damit es Ihnen und vielleicht indirekt Ihrem Vater noch zu gute kommen kann.’ Pas in december kreeg hij van Netty Radványi een kort briefje terug waarin zij hem allereerst schreef hoezeer zij zich op grond van de ‘recente gebeurtenissen in Duitsland’ zorgen maakte om haar ouders en hoe zij overal probeerde om asiel voor hen te krijgen. Wat de boeken betreft, stemde zij toe, zou het natuurlijk goed zijn om er zoveel mogelijk buiten Duitsland te hebben.12

Transport over de Rijn
Op 14 november 1938 bracht Schneider Reiling ervan op de hoogte dat hij weliswaar nog die maand naar Berlijn zou gaan, maar het hem helaas niet zou lukken om daarbij ook Mainz aan te doen. Hij beloofde zijn Berlijnse adres door te geven. Deze reis had voor Schneider maar een doel: er voor te zorgen dat de kunsthistoricus Max Jacob Friedländer Duitsland zou kunnen verlaten en van het aangeboden asiel in Den Haag gebruik zou kunnen maken.13

Reiling schreef ruim een week later een lange brief aan Schneider en liet hem weten dat hij ‘vanwege de bijzondere omstandigheden’ – een zinspeling op de gebeurtenissen van de Rijkskristalnacht – de zending die dag pas had kunnen versturen. Schneider zou bij het doorkijken van de kisten kunnen vaststellen, aldus Reiling, dat hij nog een groot aantal boeken, albums en catalogi die eigenlijk niet tot de koop behoorden, had toegevoegd, omdat hij besloten had om nu helemaal niets meer te behouden. ‘Einerseits werden Sie dadurch wohl noch manches interessante und wertvolle dabei finden das Sie für Ihre Sammlungen verwenden können, anderseits wird es die Abwicklung günstiger und vorteilhafter für mich gestalten.’ Hij had bij de brief nog een foto bijgesloten van ‘het schilderij dat u bij mij gezien hebt’ en de catalogus waarin het was afgebeeld. Het zou hem verheugen als Schneider er een liefhebber voor zou vinden, eventueel zou hij het schilderij op zicht kunnen sturen. De kunstenaar noemde Reiling niet.14

Begin december had Reilings zending ‘mit Niederländer Boot’ de Duitse grens bereikt, maar ondanks de eerder verleende toestemming voor de uitvoer naar Nederland werden in de haven van Emmerich alle kisten ontscheept [3]. Bij de verzending in Mainz was naar mening van het douanekantoor in Emmerich verzuimd om zorg te dragen voor de juiste afhandeling van de deviezencontrole – een van de maatregelen die de nationaalsocialisten hanteerden om kapitaalvlucht uit Duitsland te voorkomen en de handel met het buitenland door Joodse kooplieden tegen te werken. Reilings vertrouwde Mainzer transporteur Hillebrand liet het daar niet bij zitten. Hij schreef aan Schneider dat hij tevoren beslist aan alle vereiste formaliteiten had voldaan, maar hij zich nu opnieuw alle moeite getroostte om er voor te zorgen dat de vracht zo snel mogelijk in Den Haag zou aankomen. Hij had vernomen dat de grensdouane de Reichskulturkammer had aangeschreven met de vraag of de zending niet door een deskundige bezichtigd moest worden voor het geval het om kostbare boeken zou gaan. Omdat er van die kant niet snel antwoord kwam, wendde hij zich persoonlijk met een omstandige uitleg en de stellige verzekering dat werkelijk niemand in Duitsland Reilings bibliotheek had willen kopen tot de president van de Reichskammer für bildende Künste in Berlijn. Hij ondertekende dit schrijven – anders dan zijn brieven aan Schneider – tactvol met ‘Heil Hitler!’. Schneider kreeg een doorslag.15

Hillebrand slaagde er wel niet in om de verzending wezenlijk te bespoedigen, maar zijn inzet had toch tot resultaat dat Reilings bibliotheek uiteindelijk door alle betrokken autoriteiten werd vrijgegeven. Na bijna twee maanden oponthoud aan de Duits-Nederlandse grens kwamen op 1 februari 1939 drieëntwintig kisten met zevenenveertig strekkende meter boek- en catalogibestanden in Den Haag aan. De kist met het nummer 23 bevatte de boeken die, zoals ook Reiling het formuleerde, geschikt zouden kunnen zijn voor de Franse liefhebber. Schneider deed zijn best om de koopsom, ondanks het oponthoud, na controle van de inhoud van de kisten toch zo vlug mogelijk over te maken.16

#

3
De Rijn bij Emmerich met vrachtschepen jaren 30
diapositief op glas, met de hand gekleurd
Foto: copyright foticon images/Collection Carl Simon und Co, Lichtbildatelier & Kolorieranstalt

Afwikkeling in Den Haag
In juli 1939 richtte Reiling, steeds meer in het nauw gedreven, het verzoek aan Schneider om met de betaling van de overblijvende, voor veiling bestemde boeken en catalogi niet tot 1940 te wachten zoals was afgesproken, maar direct een bedrag uit te betalen dat hem zelf gepast leek: ‘Ich stehe in der Liquidation meines Geschäftes und habe die Absicht auszuwandern’.17 Schneider antwoordde dat hij inmiddels betwijfelde of het gezien de economische omstandigheden wel zou lukken om de nog zeer aanzienlijke restbestanden binnen afzienbare tijd te verkopen. Hij bood Reiling er echter 200 gulden voor die deze accepteerde. Een kort briefje van 3 augustus documenteert de overmaking van dit geld. Er is met de hand bij geschreven: ‘N.B. de fl. 200,- zijn betaald uit een particuliere gift.’18 Was een collega van de Reilings te hulp geschoten? Goudstikker, Bachstitz of – het meest waarschijnlijk – Frits Lugt? Een collectiecatalogus die in de bibliotheek van het RKD is opgenomen als afkomstig van Lugt – de prachtband Bronzi italiani van de Romeinse verzamelaar Alfredo Barsanti – bevat een persoonlijke opdracht: ‘A David Reiling in ricordo della nostra buona i vecchia amicizia’. Dat dit kostbare boek, dat niet tot de aankoop voor het RKD behoorde, in de bibliotheek van Lugt belandde, maakt zeer aannemelijk dat hij de schenker was van die laatste betaling – in ruil voor een keuze uit de restbestanden.19

Een vervolg op Schneiders laatste zakenbriefje aan Reiling is in het archief van het RKD niet aangetroffen, verdere brieven aan of van zijn dochter evenmin. Schneider had na de zomer zijn handen vol aan de veilige berging van de belangrijkste bestanden van het RKD met het oog op de verwachte Duitse invasie: het kunstbezit en de Rembrandtdocumentatie werden nog dat jaar naar depots overgebracht, de beelddocumentatie in de lente van 1940.20 Heeft Schneider in de acht maanden tussen augustus 1939 en mei 1940 zelfs maar de lijst met titels waar Netty Radványi om had verzocht naar Parijs gezonden? Hoorde hij zijnerzijds niets meer van haar? Zij stak al haar energie en tijd in haar werk en in haar pogingen om voor haar ouders en vanaf begin 1940 ook voor zichzelf en haar gezin overzee asiel te vinden.21

In de bibliotheek
Enkele uitzonderingen daargelaten is niet meer na te gaan welke van de duizenden catalogi en een onbekend aantal boeken Schneider uiteindelijk voor het RKD behield. Volgens zijn opgave omvatte de oorspronkelijke aankoop minder dan een derde van wat Reiling naar Den Haag stuurde – altijd nog zo’n zestien strekkende meter. In de boekerij-inventaris van het instituut zijn alleen de aankopen en schenkingen van boeken vermeld, niet die van de veiling- en tentoonstellingscatalogi die tijdens het directeurschap van Schneider verworven werden. De inventaris vermeldt niet meer dan negen titels uit de Mainzer kunsthandel; een daarvan, de bundel Festschrift des Münchener Altertums-Vereins (1914), is voorzien van een stempel: DAVID REILING, MAINZ.22

Schneider vermeldde in zijn Verslag van den directeur over het jaar 1939 de aankoop van 3400 veilingcatalogi zonder met een woord te reppen over de herkomst. Slechts bij enkele veilingcatalogi in de bibliotheek van het RKD is op grond van het stempel DAVID REILING of de vermelding van die naam op het schutblad herkenbaar dat zij afkomstig zijn van de Mainzer kunsthandel.23 Een voorbeeld van dat laatste is een catalogus van het veilinghuis Lepke in Berlijn, waar in 1929 de collectie antieke oudheden van de verzamelaar Adolf Schiller onder de hamer kwam. Van Reiling verwierf Schneider een uitgave van de catalogus die het RKD nog niet bezat, de luxe versie, met illustraties en goudopdruk op de omslag [4]. Een van de broers Reiling, waarschijnlijk Isidor, was bij die veiling zelf aanwezig geweest, zo blijkt uit het in de catalogus bewaard gebleven toegangskaartje met zijn plaatsnummer.

Wat er destijds is gedaan met de catalogi en boeken die noch Schneider noch Lugt interesseerden en die de eerste aanvankelijk ten gunste van Reiling had willen laten veilen, is evenmin gedocumenteerd. Schneider schreef in zijn jaarverslag beknopt: ‘Het vergelijken en invoegen van het in 1939 verworven zeer groot aantal veilingcatalogi vergde veel tijd van den hieraan werkzamen ambtenaar.’ Zijn de overgeschoten catalogi toegevoegd aan de verzameling duplicaten die in de loods achter het hoofdgebouw aan de Korte Vijverberg op houten rekken geplaatst werden en voor ruil bestemd waren?24 Enige vorm van registratie ontbreekt, hoewel van het terugsturen van Reilings cartotheek niet meer werd gerept toen de kunsthandelaar eenmaal besloten had om zijn complete bibliotheek naar Den Haag te sturen.

Een half jaar na het laatste briefcontact tussen Mainz en Den Haag overleed Isidor Reiling aan de gevolgen van een beroerte. Zijn vrouw Hedwig werd in 1942 gedeporteerd.25 Netty Radványi kon in 1940 met haar kinderen naar Zuid-Frankrijk vluchten en overleefde ten slotte met haar gezin in Mexico. Toen haar zoon na de bevrijding het vroegere huis van de familie in de omgeving van Parijs opzocht om te zien wat er eventueel nog bewaard was gebleven, vond hij de bibliotheek van zijn moeder onbeschadigd terug in de kelder. De kunstboeken die Schneider haar had zullen sturen waren daar echter niet bij.

#

4
Sammlung Baurat Schiller
veilingcat. Berlijn (Lepke), 19/20 maart 1929
goudstempel op omslag
Foto: Vicky Foster, RKD

Na de bevrijding
Schneider was eind 1940 teruggekeerd naar zijn vaderstad Bazel. Verdwaald tussen brieven aan zijn opvolger bij het RKD bevindt zich een los blaadje uit 1946 waarop hij puntsgewijs enkele kwesties opsomde die nog geregeld moesten worden. Onder punt 3 staat: ‘over de cat.i Reiling heb ik F.L. [Frits Lugt] mondeling ingelicht. Deze zijn vrij disponibel. Niet echter de weinige boeken, die er bij stonden. Deze s.v.p. nog laten staan tot dat ik eens naar den Haag kom.’ Uit het antwoord van Horst Gerson, wetenschappelijk medewerker van het RKD, blijkt dat de overgeschoten catalogi inderdaad – maar pas toen – aan de verzameling duplicaten zijn toegevoegd. Van Reilings boeken had Gerson echter nog geen spoor gevonden. ‘Misschien kunnen deze nog tevoorschijn komen als de andere boel is opgeruimd.’ In de zomer van 1946 kwam Schneider naar Nederland.26 Waren de boeken intussen opgedoken? Hij had alle reden om aan te nemen dat Netty Radványi zich niet meer in Parijs bevond. Heeft hij geprobeerd om haar te traceren? Heeft hij bij het Rode Kruis nagevraagd? Wij weten het niet. Zeker is alleen dat hij ook na zovele bewogen jaren zijn belofte aan Isidor Reiling niet was vergeten.

Tegenwoordig worden Netty Radványi's duizenden boeken beheerd door de Akademie der Künste in Berlijn. Of de voor haar bestemde kunstboeken uit haar vaders handbibliotheek daar ook bij zijn, is vooralsnog een raadsel gebleven.27

Epiloog – een verdwenen kunsthandel
Uit de correspondentie tussen Reiling en Schneider wordt niet duidelijk wat die laatste in de zaak in Mainz nog aan kunstvoorwerpen heeft gezien. Slechts tweemaal kwam een schilderij ter sprake, het eerste voorbeeld is al genoemd. De tweede keer was toen Schneider weigerde Reilings verzoek om een afschrift van een expertise van Hofstede de Groot te honoreren – duplicaten konden niet worden afgegeven, dat was na diens dood nog nooit gedaan. Hij bevestigde echter dat Hofstede de Groot in 1918 een beoordeling had opgesteld van het betreffende schilderij, een ‘levensgroot kniestuk van een staand heer’ door de Noord-Nederlandse schilder Pieter Nason (1612-1688/1690). Hieruit mag wel worden afgeleid dat dit stuk zich op dat moment in handen van Reiling bevond. Ook van een schilderij door Wolfgang Heimbach [5] is gedocumenteerd dat dit in 1938 nog tot de voorraad van de Mainzer kunsthandel behoorde.28 Enkele objecten zijn in de periode 1937-1940 aangekocht door een collega in Wiesbaden. Twee weken voor Reilings dood werden op een veiling bij Hans Lange in Berlijn enkele zilveren voorwerpen aangeboden waarvoor de catalogus als inbrenger ‘D.R., Mainz’ vermeldt: een ‘kleine serpentinebokaal, in een vergulde en gegraveerde vatting’ uit de zeventiende eeuw en een ‘ronde sierschaal, rijk gedreven en licht verguld’, vervaardigd in Augsburg rond 1700.29 Waar deze voorwerpen zijn gebleven en alle andere kunstwerken die zich ten tijde van de slepende liquidatie van Reilings kunsthandel nog in de zaak aan de Flachsmarkt bevonden, is tot nu toe onbekend.30

5
Wolfgang Heimbach
De verschijning van Christus aan Maria 1652
olieverf op paneel 46 x 57 cm
Verblijfplaats onbekend


Noten

1 Brief van de Münchener kunsthandelaar Walther Bernt aan Hans Schneider, d.d. 29 september 1938, Den Haag, RKD ̶ Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (RKD), Archief RKD 1932-1974 (0328) (RKD 1932-1974), inv.nr. 10; ibidem, brief Schneider aan Reiling, d.d. 30 mei 1938. Speciaal in de verwervingsgeschiedenis van Germaanse oudheden en middeleeuwse kunstvoorwerpen komt de naam Reiling vaker voor, vgl. de collecties van het Germanische Nationalmuseum en het British Museum: aankopen bij David Reiling en zijn zoons.

2 Christiane Zehl Romero, Anna Seghers. Eine Biographie. 1900-1947, Berlijn 2000, p. 17: ondertekening. RKD 1932-1974, inv.nr. 10 en inv.nr. 162: de briefwisseling duurde van 30 mei 1938 tot 3 augustus 1939. Schneider zou zijn brieven ook na zijn bezoeken in Mainz steeds aan ‘Herrn David Reiling’ richten.

3 Brief Reiling aan Schneider, d.d. 20 juni 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10: liquidatie kunsthandel, carthoteek; brief Reiling aan Schneider, d.d. 10 juni 1938, ibidem: cartotheek; brief Schneider aan Reiling, d.d. 12 augustus 1938, ibidem: vakantie. Zie ook Friedrich Schütz, ‘Die Familie Seghers-Reiling und das jüdische Mainz’, Argonautenschiff II (1993), pp. 151-175.

4 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 16 september 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10: reis onzeker; brief Reiling aan Schneider, d.d. 30 september 1938, ibidem: politieke ontspanning, Joodse feestdagen. Reiling kon op dat tijdstip dus in elk geval nog beschikken over de faciliteiten van de kunsthandel aan de Flachsmarkt. Met dank aan Regina Zölßmann, Stadtarchiv Mainz, voor toelichting op de hier afgebeelde foto van de Flachsmarkt.

5 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 6 oktober 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10: Kassel; brief Schneider aan Reiling, d.d. 29 oktober 1938, ibidem.

6 Netty Reiling promoveerde op de studie Juden und Judentum im Werke Rembrandts. Een kennelijk van Reiling afkomstig exemplaar van haar dissertatie is aanwezig in de bibliotheek van het RKD (kopie van typoscript met handgeschreven aanvullingen). In het jaarboek van de Anna-Seghers-Gesellschaft is in 2017 een korte Duitstalige versie van het onderhavige artikel verschenen, Argonautenschiff XXV (2017), pp. 149-154.

7 Zehl Romero 2000 (noot 2), pp. 40-41, 285, 289: Reiling had zijn dochter in 1933 haar meubels en eigen boeken en nog tot tenminste 1937 brieven en pakjes kunnen sturen. Hij achtte het kennelijk niet meer mogelijk om datzelfde nu met zijn eigen handbibliotheek te doen. Zo’n schenking betekende mindering van de verkoopwaarde van de bibliotheek als geheel. De liquidatie van de kunsthandel vond plaats onder toezicht van de Reichsbank in Mainz die daarmee niet akkoord zou zijn gegaan. Schneider omschreef Netty Radványi in zijn brieven aan haar vader als ‘von mir gefundenen Mitinteressenten in Frankreich’ of als ‘der Partner’, brieven Schneider aan Reiling, d.d. 29 oktober 1938 en 7 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10.

8 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 29 oktober 1938, ibidem. Brief Reiling aan Schneider, d.d. 4 november 1938, ibidem, inv.nr. 162: Reiling stuurde meer exemplaren van Busch’ catalogus, een tweede bevindt zich bij de UB Utrecht.

9 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 16 september 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10. De tegenwaarde van 1000 gulden was ongeveer 1330 rijksmark, zie Anlage II: Währungstabellen, https://www.preussischer-kulturbesitz.de/fileadmin/user_upload/documents/mediathek/schwerpunkte/provenienz_eigentum/rp/151005_SV-Web_AnlageII_Waehrungstabellen.pdf (geraadpleegd november 2018)

10 Brief Reiling aan Schneider, d.d. 4 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 162.

11 Brief Schneider aan Netty Radványi, d.d. 7 november 1938, ibidem, inv.nr. 10: ‘Unnötig zu sagen, dass hierüber nichts Tatsächliches nach Deutschland verlauten darf.’ Hij verzocht haar bovendien om de boeken zelf bij het RKD in ogenschouw te komen nemen voor het geval zij een werkbezoek aan haar uitgever (Landshoff) in Nederland zou brengen. Zehl Romero 2000 (noot 2), p. 211: Landshoff leidde sinds 1933 de Duitstalige afdeling van uitgeverij Querido die zich over veel Duitse auteurs in ballingschap ontfermde; ibidem, p. 41 en Schütz 1993 (noot 3), p. 168: aanval op kunsthandel en woning. Brief Netty Radványi aan Schneider, d.d. 10 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10.

12 Brief Schneider aan Netty Radványi, d.d. 14 november 1938, ibidem. Bij dit en volgende Duitstalige citaten zijn spelling en punctuatie van het origineel gevolgd. Brief Netty Radványi aan Schneider, 7 december 1938, ibidem.

13 Zie Suzanne Laemers, Max J. Friedländer. 1867-1958. Kunst en kennerschap, een leven gewijd aan de vroege Nederlandse schilderkunst, (dissertatie Utrecht 2017), pp. 161-165.

14 Brief Reiling aan Schneider, d.d. 23 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 162. Reilings discretie maakt dat nu niet volledig zeker is om welk schilderij het ging.

15 Brieven transporteur Hillebrand aan Schneider, d.d. 1 december 1938, 13 december 1938 en 27 december 1938, ibidem; brief Hillebrand aan president van de Reichskammer für bildende Künste, d.d. 27 december 1938, ibidem.

16 Op 2 januari schreef Reiling aan Schneider dat de zending was vrijgegeven, brief d.d. 2 januari 1939, ibidem; volgens Schneider, brief d.d. 16 februari 1939, ibidem, was een schip met de vracht pas op 28 januari uit Emmerich vertrokken. Brief Reiling aan Schneider, d.d. 23 november 1938, ibidem: ‘für den französischen Liebhaber’. Brief Reiling aan Schneider d.d. 2 januari 1939, ibidem: de Reichsbank hield in de gaten of de koopsom inderdaad naar Duitsland werd overgemaakt. Uit brieven van Schneider aan Reiling, d.d. 31 december 1938 en d.d. 16 februari 1939, ibidem, blijkt dat deze Reilings financiële dwangpositie inmiddels begrepen had.

17 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 29 oktober 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 162: afspraken met betrekking tot aankoop. Brief Reiling aan Schneider, d.d. 19 juli 1939, ibidem. Gezien hun emigratieplannen zullen of zouden de Reilings dit bedrag hebben moeten afdragen voor de Reichsfluchtsteuer.

18 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 21 juli 1939, ibidem: bod; brief Reiling aan Schneider, d.d. 25 juli 1939, ibidem: acceptatie; briefje Schneider aan Reiling, d.d. 3 augustus 1939, ibidem.

19 Lugt kende Reiling sinds vele jaren van veilingen in Duitsland, zie bijvoorbeeld veilingcat. Berlijn (Cassirer), 4 december 1917, notities Lugt onder meer bij nummers 47, 69, 97 en omslag. Zie brief van Reiling aan Schneider, d.d. 4 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 162, waarin hij onder meer het album van de verzameling Barsanti noemt. Een tweede daar genoemd boek, Die Miniaturen-Sammlung seiner königlichen Hoheit des Grossherzogs Ernst Ludwig von Hessen und bei Rhein, is merkwaardigerwijze in 1968 door het RKD aangekocht bij een Zwitserse boekhandel: RKD Archief Afdeling Bibliotheek (0670), inv.nr. 2.

20 Brief Schneider aan Walter Cohen, Düsseldorf, 12 september 1939, RKD 1932-1974, inv.nr. 11: ‘Ich fand ihn [Cohens brief] bei meiner Rückkehr hieher unmittelbar vor Kriegsausbruch, hatte aber bisher sehr viel zu tun mit der Sicherung unseres Kunstbesitzes.’; brief Schneider aan Otto Benesch, d.d. 9 december 1939, ibidem: al het Rembrandt-materiaal was buiten het RKD in veiligheid gebracht. Schneider, Rijksbureau voor kunsthistorische en ikonografische documentatie tes-Gravenhage, Verslag van den directeur over het jaar 1939 (Departement van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming), p. 1: ook in de lente van 1940 en zelfs nog tijdens de Duitse inval werden bezittingen van het RKD, inclusief de verzameling afbeeldingen, weggebracht en buiten het instituut opgeslagen.

21 Brief Netty Radványi aan Schneider, d.d. 10 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10: verzoek om lijst. Alleen al de omstandigheid dat het RKD beschikt over een ‘kladversie’ van Netty Reilings dissertatie suggereert dat niet alles – of zelfs helemaal niets? – uit kist 23 is doorgestuurd. Zehl Romero 2000 (noot 2), pp. 348-375.

22 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 21 juli 1939, RKD 1932-1974, inv.nr. 162: omvang van overgenomen deel van de zending. De boeken zijn in de boekerij-inventaris van het RKD (RKD Archief Afdeling Bibliotheek (0670), inv.nr. 1) ingeschreven als aankopen in 1939/14-21 en 1940/60-63. Onduidelijk is om welke reden één boek pas in 1940 werd ingeschreven.

23 Schneider, Rijksbureau […] (noot 20), p. 2. Bij die 3400 catalogi ging het ongetwijfeld grotendeels of zelfs uitsluitend om de zending van Reiling.

24 Ibidem, p. 1 en p. 4.

25 Zehl Romero 2000 (noot 2), p. 41, Schütz 1993 (noot 3), p. 169: na de Rijkskristalnacht, in 1938 of 1939, waren Isidor en Hedwig Reiling gedwongen hun woning aan de Fischtorplatz te verlaten en naar een zogenaamd ‘Judenhaus’ te verhuizen. De beide panden van de kunsthandel aan de Flachsmarkt werden op 8 maart 1940 ‘zwangsarisiert’; de kunsthandel zelf was op dat moment al geliquideerd. Isidor Reiling stierf twee dagen later. Zijn broer Herman overleed in maart 1942 in Mainz, diens vrouw werd enkele maanden later gedeporteerd.

26 Los blad met handgeschreven notities van Schneider, RKD 1932-1974, inv.nr. 20; brief Gerson aan Schneider, d.d. 4-4-1946, ibidem. Jenny Schneider, Hans Schneider-Christ Dr. Phil (1888-1954), Zürich 2004, p. 18.

27 Zehl Romero 2000 (noot 2), p. 449. Steekproeven in de bibliotheek van Anna Seghers, waarvoor ik Monika Melchert, curator in ruste van de Anna-Seghers-Gedenkstätte in Berlijn, hartelijk bedank, brachten geen boeken aan het licht met het stempel David Reiling of de naamsvermelding Reiling. Pierre Radványi, Netty’s zoon, kan zich geen boekenzending uit Nederland herinneren: mededeling aan Monika Melchert, 23 maart 2017.

28 Brief Schneider aan Reiling, d.d. 2 november 1938, RKD 1932-1974, inv.nr. 10, en Reiling aan Schneider, d.d. 4 november 1938, ibidem, inv.nr. 162. Expertise voor de Haagse kunsthandelaar Hageraats, zie Den Haag, RKD, Archief Cornelis Hofstede de Groot (0356), inv.nr. 76 (1918), en RKD, Hofstede de Grootfiches, bak 183, fiche-nr. 1362569. – Was dit werk van Heimbach het schilderij dat Reiling in zijn brief van 23 november 1938 bedoelde? Zie beelddocumentatie RKD (verso foto: 1938 verworven) en Catalogue dune belle collection des tableaux anciens […], veilingcat. Brugge (Alphonse Storie), 20 maart 1929.

29 United States National Archives and Records Administration, M1947, filmrol 0019, Ardelia Hall Collection, Wiesbaden Administrative Records, pp. 39-40. Kunsthandel Wilhelmine Heinemann, waar Reiling al voor 1933 zaken mee deed, verwierf in die periode zeven kunstvoorwerpen: meubels, kunstnijverheid en een schilderij. Sammlung List, Magdeburg, II. Teil/Chinasammlung Prof. Wegener †, Berlin/Verschiedener Kunstbesitz, veilingcat. Berlijn (Hans Lange) 25/27 januari 1940, nrs. 221 en 232.

30 Wel bevindt zich in het stadsarchief van Mainz documentatie met betrekking tot de gedwongen afgifte van persoonlijke kostbaarheden, de sieraden van Reilings vrouw en zilverwerk zoals bestek, serviesgoed, munten en een ratelaar, in maart 1939, zie Schütz 1993 (noot 3), pp. 168-169.

Cookie melding

Ik ga akkoord Tijdens het surfen op het internet worden uw voorkeuren onthouden door middel van cookies.Cookies zijn kleine tekstbestanden die door een internetpagina op een pc, tablet of mobiele telefoon worden geplaatst.Cookies worden gebruikt om uw gebruikerservaring te verbeteren door het anoniem monitoren van webbezoek, het delen van informatie op social media mogelijk te maken, de effectiviteit van online marketingcampagnes temeten en om online advertenties aan te passen aan uw interesses.Door te surfen op deze website gaat u akkoord met het plaatsen van cookies.